 |
Hieronder volgt alleen de
tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen
zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet
Goed gesneden, gepolijst
en feilloos ingelegd
Toveren met Stenen
Byzantijnse mozaïekkunst stond
model voor het Florentijnse pietre dure. Gebruikten de
Byzantijnse mozaiëkleggers minuscule kleine marmeren
steentjes en glas, de pietre duresnijders sneden naast
het kleurrijke marmer uiterst minutieus (half)edelstenen.
In de Gilbert Collection bevindt zich een aantal adembenemend
mooie voorbeelden van deze techniek. Byzantijnse
kunstenaars (400-1400) blonken uit in het maken van
mozaïeken. Vloeren, muren, gewelven en koepels
in kerken en paleizen werden ingelegd met ontelbare
stukjes glas en steen van 1 cm2. Belangrijk in het ontwerp
was de herkenbaarheid, zo werd de heilige Petrus altijd
afgebeeld met een ronde witte baard en in de kleuren
goud en beige. Ook de grootte was vastgelegd: een man
moest negen koppen meten, zijn haarlijn begon een neuslengte
boven zijn voorhoofd en hij moest een gewijde, bijna
starre uitdrukking uitstralen. De steentjes waren van
diverse kleuren marmer of werden in het glas gebrand.
De ‘gouden’ stukjes werden gemaakt door
bladgoud op de onderkant van doorzichtig glas te temperen.
De lijnen voor de mozaïek werden uitgezet in ruw
en vochtig pleisterkalk. Door de steentjes onder verschillende
lichtinvalshoeken aan te brengen ontstond een levendige
schittering.
ACCADEMIA DEL DISEGNO
De Byzantijnse kunst ging over
in die van de Renaissance, de wedergeboorte, die in
Italië rond 1420 begon. De kunstenaar trad uit
de anonimiteit; er ontstonden discussies over de beeldende
kunsten, waarbij teruggegrepen werd naar opvattingen
uit de Griekse Oudheid, zoals de geschriften van de
filosofen Plato en Aristoteles. In de kunst streefde
men niet meer naar realisme maar juist naar de ideale
schoonheid. Hierdoor functioneerde het traditionele
atelier als leerschool voor kunstenaars niet langer.
Groothertog Cosimo I de Medici richtte in 1547 de Accademia
Fiorentina, beter bekend onder de naam Accademia del
Disegno, te Florence op. Het doel hiervan was kunstenaars
een eigentijdse opleiding te geven, waarbij de opleiding
veel verder ging dan het maken van handwerk. Naast lessen
over het lineaire perspectief nam ook wiskunde een belangrijke
plaats in en konden studenten in het plaatselijk ziekenhuis
praktische anatomielessen volgen. Een belangrijk sleutelfiguur
was Giorgio Vasari (1511-1574). Hij was in dienst als
hofschilder bij Cosimo I de Medici en bekleedde daar
een belangrijke positie. Vasari beheerste het artistieke
leven in Florence, hij schreef en publiceerde in 1550
het boek De Levens van de grootste schilders, beeldhouwers
en architecten. Door het grote succes verscheen in 1586
een tweede en uitgebreide editie. Beide edities zijn,
middels een ode, opgedragen aan groothertog Cosimo I
de Medici. Vasari roemt hem om zijn grote bijdrage aan
de ontwikkeling van kunst en wetenschap.
OPIFICIO DELLE PIETRE DURE
Het was Cosimo’s zoon
Ferdinando I de Medici, die op 3 september 1588 de Opificio
delle Pietre Dure oprichtte in Florence. Dit werd het
centrum van de productie van pietre dure mozaïeken
in Europa en zou meer dan 300 jaar belangrijk en actief
blijven. De bekwaamheden van de mozaiëkleggers uit
Rome en de stenensnijders uit Milaan werden hier in Florence
samengevoegd. Milaan was vanaf 1550 in Europa het belangrijkste
centrum voor de productie van gesneden objecten, zoals
pullen en vazen en gegraveerde panelen uit bergkristal.
De panelen sierden meubelen, de vazen en pullen kregen
prachtige edelmetalen monturen. De vaklieden, die uitblonken
in de techniek van het snijden en polijsten van (half)edelstenen,
hadden de belangrijkste Europese hoven als clientèle.
De mozaiëkmakers uit Rome waren ervaren in het bewerken
van pietre tenere: de zachte steen, marmer. Zij blonken
uit in het leggen van geometrische motieven en gestileerde
decoraties met name in vloeren, die oogden als tapijten,
en mozaiëktafels. Voor zowel pietre dure als pietre
tenere werden verschillende technieken gebruikt.
In de groothertogelijke werkplaats kwamen deze ambachten
samen, waarbij de hofschilders voor de ontwerpen zorgden.
De geometrische motieven die de Romeinse vaklieden gebruikten
werden vervangen door de ontwerpen van de schilders,
uitgevoerd door de edelsteensnijders. Een ontwerp was
tevens afhankelijk van de variaties in kleurstenen die
de steensnijder op dat moment had; naarstig werd er
gezocht naar schaars geworden marmer en (half)edelstenen
van goede kwaliteit. Uit Cattaro kwam rood marmer, geel
was het Torri-marmer, groen marmer en bergkristal kwam
uit de Alpen, roze marmer uit Verona en zwart uit Mauretië,
Siena en Iseo. Sicilië had onder andere grijs en
wit marmer naast agaat en jaspis. Het zwarte marmer,
bekend als paragon, kwam uit Vlaanderen. Andere (half)edelstenen
die men gebruikte waren lapis lazuli, amethist, albast,
koraal, chalcedon, carneool, malachiet, heliotroop,
chrysopraas en paarlemoer. In eerste instantie kwamen
de grote opdrachten voor de inrichting van de paleizen
en het schitterende mausoleum voor de Medici familie
in de kerk van San Lorenzo van de groothertogen zelf.
De Medici’s gaven soms pietre dure mozaiëken
als geschenk, waardoor het in de zestiende eeuw een
typische hofkunst was.
In het begin van de zeventiende eeuw ontstonden
de verzamel- of kunstkabinetten, bedacht door Philipp
Hainhofer ( 1578-1647), een koopman uit Augsburg. Deze
kleine kabinetten vielen op door hun kostbare uitvoering,
belijmd met ebbenhout of zelfs ivoor en voorzien van
Florentijnse pietre dure plaquettes. Deze pietre dure
mozaiëkmotieven bestonden uit bloemen vaak in samenhang
met vogels, vruchten en slingers. Op het kabinet werden
deze kleinere panelen bevestigd rondom een groter centraal
paneel, waarachter zich het deurtje bevond. Het afgebeelde
kabinet toont in het midden het deurtje met een pietre
dure plaquette voorstellende een fontein.
Van 1694 tot 1725 had de
beeldhouwer en architect Giovanni FogginiI grote invloed
op de groothertogelijke werkplaats. Hij had een voorliefde
voor barokke planten- en vruchtenslingers uitgewerkt
in diverse steensoorten. De klok op een negentiende
eeuws kabinet is daar een goed voorbeeld van. Het uurwerk
werd gemaakt voor Anna Maria Luisa de Medici. Zij huwde
in 1691 met keurvorst Palatine von der Pfalz. Na zijn
overlijden in 1716 keerde Anna Maria terug naar Florence,
waarbij zij ook bijna al haar pietre dure objecten meenam,
aan haar geschonken door haar vader Cosimo III. De klok
is in 1704-1705 gemaakt in de hofwerkplaats. De pietre
dure ornamentiek is typisch voor Foggini. De guirlandes,
bladranken in verguld brons, waren zijn favoriete versieringen.
In zijn aantekenboek staat een tekening van de ingelegde
grotesk in krullend acanthusblad, zoals aangebracht
onder de wijzerplaat. Aan het eind van de zeventiende
en begin achttiende eeuw komen deze grotesken vaker
voor op het Florentijnse pietre dure. De originele klok
werd gemaakt door Ignatius Hugford of Huggeford uit
Engeland, maar is later vervangen door een klok van
Johannes Hittorff uit Bonn. De zuilen zijn van agaat
met verguld bronzen kapitelen. Anna Maria de Medici
heeft dit uurwerk niet mee teruggenomen naar Florence.
Rond 1857 kocht de Engelsman Robert Staynor Holford
de klok voor zijn huis in Engeland. Het kabinet waarop
het staat zal rond diezelfde tijd vervaardigd zijn.
Het pietre dure paneel in het midden is uit dezelfde
tijd als de klok en zonder twijfel van Foggini. Zijn
favoriete motief, het parelsnoer en de lapis lazuli
strik in combinatie met de bloemenslingers, verraden
dat. De verguld bronzen maskerons op dit begin achttiende
eeuws paneel zijn negentiende-eeuwse toevoegingen en
verbergen de naden waar de stenen tegen elkaar geplaatst
zijn.
TAFELBLADEN
De
hardheid van stenen wordt vastgesteld aan de hand
van de schaal van de Oostenrijkse mineraloog Friedrich.
Mohs uit 1820
Deze schaal omvat tien mineralen in opvolgende hardheid.
1 talk
2 gips of steenzout o.a. albast
3 calciet - marmer, graniet, serpentijn, malachiet,
koraal
4 fluoriet - lapis lazuli, lazuriet
5 apatiet
6 veldspaat
7 kwarts - amethyst, bergkristal, carneool, chalcedoon,
citrien, granaat, heliotroop,jaspis,
8 topaas
9 korund robijn, saffier
10 diamant
De scheidingslijn tussen een edelsteen en de zogenaamde
halfedelsteen heeft met deze hardheid te maken.
De scheidingslijn ligt tussen hardheid 7 en 8. |
De pietre dure techniek komt ook
buitengewoon goed tot zijn recht in tafelbladen.
In de Gilbert Collection met veel indrukwekkende tafelbladen,
bevindt zich hiervan een wonderlijke exemplaar. Het
bestaat uit veertien pietre dure plaquettes gemaakt
tussen 1774 en 1785 voorstellende een groep acterende
dwergen. Het blad is gemaakt naar tekeningen van Baccio
del Bianco ( 1604-50) en naar gravures uit series dwergen
die Jacques Callot (1592-1635) publiceerde in 1616.
Del Bianco werkte als organisator van evenementen voor
de Medici’s en ontwierp daarvoor allerlei soorten
objecten. Het boek van Jacques Collot, Varie Figure
Gobbi, liet een reizende groep dwergen zien, optredend
aan het hof van Cosimo II in dezelfde tijd dat Callot
daar ook was. Er zijn nog enkele van dit soort plaquettes
bekend. De manier waarop de plaquettes op deze tafel
zijn gerangschikt suggereert dat deze serie eigenlijk
was bedoeld voor het decoreren van een kabinet. De plaquettes
liggen tussen antiek groen marmer met een meanderrand
van geel en rood marmer op een zwarte ondergrond.
Veel kunstenaars kwamen
gedurende de eerste helft van de zeventiende eeuw voor
een korte periode naar de groothertogelijke werkplaatsen
om zich te bekwamen in de pietre dure techniek. Hierdoor
konden zij in Italië hun eigen werkplaatsen beginnen,
waarbij zij zich vooral toelegden op de kerkelijke kunst,
zoals altaarstukken en tabernakels. Niet alleen in Italië
maar ook daarbuiten ontstonden pietre dure werkplaatsen.
De Florentijnse familie Castrucci, een van de bekendste
Italiaanse steensnijders, kwam eind zestiende eeuw bij
keizer Rudolph II in Praag werken. Landschapspanelen
in de pietre dure techniek waren hun specialiteit. Het
afgebeelde verzamelaarskabinet uit 1610 vervaardigd
door Castrucci de oudere is hiervan een voorbeeld. Ook
in andere landen werden de Florentijnse steensnijders
naar de hofwerkplaatsen gehaald.
TELOORGANG OPIFICIO DELLE
PIETRE DURE
Na de dood van de laatste groothertog
Gian Gastone de Medici in 1737 bleven de werkplaatsen
doordraaien en de bekende composities van vogels en
bloemen op de zwart marmeren ondergrond maken. De nieuwe
groothertog Francis I van Lotharingen en zijn zoon Pierre
Léopold lieten een nieuwe wind waaien door de
hofwerkplaatsen. De artistiek directeur Louis Siries
verdreef in 1748 de bekende decoraties en verving deze
door landschappen en romantische, zinnebeeldige motieven.
Toen Napoleon in 1799 in Florence arriveerde werden
de hofwerkplaatsen voor een paar jaar gesloten. Carlo
Siries, kleinzoon van Louis, was de artistiek directeur
tot 1854. Gedurende de rest van de negentiende eeuw
zorgden steensnijders Giovan Giorgi, Niccolò
Betti, Edoardo Marchionni en Paolo Ricci voor de terugkeer
van de florale elementen in de pietre duremozaiëken.
De werkplaats zond regelmatig werk in naar de internationale
tentoonstellingen en verwierf daarvoor medailles tot
1862. Toen kwam de klad erin, onder andere door concurrentie
vanuit Rusland, Engeland en Malta. Bovendien ging het
met de financiële situatie van de Opificio delle
Pietre Dure na 300 jaar hard achteruit: Het materiaal
werd te kostbaar en men ging tot sluiting over. Alleen
de kleinere werkplaatsen, zoals die van Giovanni Ugolini
uit Florence overleefden nog enigszins. Zij maakten
gebruik van de technieken en ontwerpen van de Opificio,
maar voerden deze uit in veel goedkoper materiaal zoals
kalkspaat en schelpen, de zogenaamde imitatie pietre
duremozaiëk. Scagliola heet deze techniek waarbij
men calcium sulfaat hydrateert. De daardoor ontstane
verbinding zorgt voor grote buigzaamheid en maakt het
uitermate geschikt voor modelering. Wanneer het droog
en uitgehard is, kan erin gesneden worden en kan het
weer worden opgevuld met hetzelfde materiaal in andere
kleuren, ten slotte wordt alles hooggepolijst. Scagliola
ontstond in de vijftiende eeuw.
De Gilbert Collection
in Londen bezit een indrukwekkende hoeveelheid pietra
dure, het museum van de Opificio delle Pietre Dure in
Florence herbergt meesterstukken van de familie de Medici
en originele gereedschappen voor de bewerking.
Mickey de Rooij
Literatuur
- Anna Maria Massinelli, Hardstones, Philip Wilson publishers/The
Gilbert Collection, London 2000
- George Bull, Giorgio Vasari The lives of the artists,
Penguin Books, Suffolk 1965
- Reinier Baarsen, 17de-eeuwse kabinetten, Waanders/Rijksmuseum,
Zwolle 2000
- Prof. Dr. P.C. Zwaan F.G.A., Elementaire Edelsteenkunde,
Federatie Goud en Zilver, den Haag 1987
- Lorenza A. Smith, drs. Irene Meccanici vertaling,
Decoratieve Kunsten in Venetië, Könemann,
Keulen, 2000
- Philip Sherrard, vert. H. Delleman, het Byzantijnse
rijk, N.V. Het Parool, Amsterdam 1966
|
 |