 |
Hieronder volgt alleen de
tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen
zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet
de dwingende dominantie van
kleuren
Middeleeuwse
manuscripten
In het oude China was geel -
in elke toepassing - strikt voorbehouden aan de keizer.
Alleen hij en zijn familieleden genoten het voorrecht
gewaden te dragen in die stralende zonnekleur. En uitsluitend
voor zijn hof werd het perfecte geel monochrome porselein
gemaakt. Geel vormde de bevestiging van keizerlijke
macht. Voor ieder ander gold die kleur als volstrekt
taboe.
Kleurexclusiviteit is niet louter
een Chinees verschijnsel. In de antieke Oudheid en tijdens
het Byzantijnse rijk verwees een andere kleur naar eenzelfde
(goddelijke) heerserspositie: purper. Purper bleef voorbehouden
aan koningen en keizers, een kleurmonopolie dat later
in verzwakte vorm zou overgaan op kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders.
De status van het Chinese geel en het statige purper uit
de Oudheid bevestigt niet alleen macht en hoogste exclusiviteit,
er ligt een praktische reden aan ten grondslag, namelijk
zeldzaamheid, en daarmee samenhangend kostbaarheid. In
monochroom porselein is smetteloos geel het moeilijkst
te fabriceren. En paars is zo'n uitgelezen kleur door
de schaarste van de kleurstof. Het pigment ervoor wordt
gewonnen uit een slak die voorkomt aan de oostkust van
de Middellandse Zee. Voor een enkel grammetje kleurstof
moeten zo'n achtduizend purperslakjes het leven laten.
In de Oudheid vond het prestigieuze purper zijn
toepassing in gewaden aan het hof, in de aankleding van
ceremoniële gebouwen én in de boekkunst. Byzantijnse
purperen codici behoren tot de meest luxe en zeldzaamste
handschriften die we kennen. Ze zijn geschreven in - al
even symbolisch - zilver en goud op purperkleurig perkament.
Zo werden de belangrijkste koninklijke oorkonden op purperperkament
geschreven. Een voortreffelijk voorbeeld is het uit 967
daterende huwelijkscontract voor de Byzantijnse prinses
Theophanou. Theophanou telde twaalf lentes toen zij in
Rome huwde met Otto II, die zeventien jaar was en als
Duitse keizer ook over ons land heerste. Op de langwerpige,
144,4 x 39,5 cm grote perkamentrol waarin hun huwelijksvoorwaarden
staan opgetekend, is de tekst in gouden letters gekalligrafeerd
tegen een purperen fond, dat uit acht paren medaillons
bestaat, waarin fabeldieren staan afgebeeld. Voor de jonge
keizer en zijn eega werd de belofte van gulden tijden,
zo fraai symbolisch vervat in goud en purper, werkelijkheid.
Hun huwelijk was gelukkig en bezegelde een periode van
politieke rust in een tijd waarin tussen Rome en Byzantium
dan weer sprake was van verwijdering, dan weer van toenadering.
Het keizerlijk hof - hoven reisden in die eeuwen voortdurend
door het gebied waarover ze heersten - verbleef een enkele
keer in onze streken, onder meer in Tiel en Maastricht.
Theophanou stierf in juni 991 op het Valkhof in Nijmegen
en ligt sindsdien begraven in Keulen.
Tot de zeldzame purperen handschriften behoort
ook een groepje manuscripten uit de zesde en zevende eeuw,
sommige met miniaturen versierd, andere zonder verluchting.
In de Vaticaanse bibliotheek bevindt zich de Codex purpureus,
een Syrisch handschrift waarvan de tekst in zilveren letters
is gekalligrafeerd, heilige namen en titels zelfs in goud.
In dit handschrift komen geen afbeeldingen voor, maar
de bladspiegel is volmaakt en het geheel is fascinerend
in zijn abstractie en kleurstelling. Daarentegen zijn
de Weense Genesis (bewaard in Wenen) en het Evangeliarium
van Rossano (bezit van de kathedraal in de Italiaanse
stad waaraan het boek zijn naam ontleent) wél met
miniaturen verlucht. De Weense Genesis omvat 24 bladzijden
met 48 veelkleurige, verhalende miniaturen, die een deel
van de in zilver beschreven bladzijden beslaan. Bij het
Evangeliarium van Rossano is de versiering nog indrukwekkender.
De miniaturen zijn nog mooier en sommige zelfs paginagroot,
zoals die waarop Christus voor Pilatus verschijnt, en
de voorstelling waar Judas, vol spijt over zijn verraad,
de ontvangen zilverlingen voor de voeten van de hogepriesters
en ouderlingen smijt. Tegen het paarse fond verschijnen
de hoofdfiguren voornamelijk in het wit, rood en roze.
Christus in gouden en blauwe gewaden, Pilatus in geel
en wit. Een symbolische betekenis hoeven we achter dit
palet niet te zoeken, de heldere kleuren contrasteren
prachtig met de purperen achtergrond.
Het merendeel van de middeleeuwse manuscripten
mag dan religieus van inhoud zijn, ook literaire en wetenschappelijke
geschriften zijn bewaard gebleven, van encyclopedieën
en historische werken tot plantkundige en juridische traktaten
en teksten over de geneeskunst en de kosmos. In hun verluchting
weerspiegelen ze een al even ongekende rijkdom aan voorstellingen
en stijlen, en ook in hun vaak betoverend kleurgebruik
verschillen ze naar periode en streek.
Ontwikkelingen in het toepassen van kleur in de
middeleeuwse miniatuurschilderkunst laten zich alleen
in grove lijnen schetsen, anders verliest men zich snel
in - overigens zeer boeiende - specialismen en details.
Over het wezen en de eigenschappen van kleuren hebben
meerdere middeleeuwse auteurs hun licht laten schijnen.
Kleuren doen wat met mensen, maar omgekeerd was dat toentertijd
nog meer het geval, bijvoorbeeld emotioneel en zinnebeeldig.
Men kon met felle kleuren niet alleen zijn status uitdrukken,
maar in een fijnzinnige code de meest uiteenlopende gevoelens
uiten en wensen kenbaar maken. Vooral in kleding, familiewapens
en vaandels spraken kleuren een stille, dwingende taal.
Blauw werd geassocieerd met trouw en toewijding en curieus
genoeg stond geel altijd in een kwaad daglicht. Lang niet
iedereen was gediend van kleuren. Het was dan ook niet
zonder reden dat als reactie op die uitbundige, soms agressieve
kleurentaal werd gepleit voor ontkleuring. Franciscanen
gingen grauwe pijen dragen, de benedictijnen zwarte en
de cisterciënzers kozen voor wit.
Toch is het merkwaardig dat in zo'n symboolgevoelige
periode als de Middeleeuwen de miniatuurkunst wat kleurgebruik
betreft niet zo van symboliek is doortrokken. Verluchters
hebben zich in hun kunst blijkbaar allereerst laten leiden
door de artistieke zeggingskracht van kleuren en hun decoratieve
waarde. Kleurgebruik en palet lijken vooral samen te hangen
met stijl, mode, regio en tijd van ontstaan. De Italiaanse
boekverluchters uit de Renaissance tonen een ongeëvenaard
subtiel en rijk geschakeerd kleurgevoel. De Karolingische
en Angelsaksische prachthandschriften uit de achtste tot
tiende eeuw zijn beperkter van palet. Voor hun paginagrote
initialen en beginbladzijden vol vlechtornamenten waarin
dier- en plantenmotieven zich verstrengelen, zijn zachte
kleuren geel, groen, oranje, blauw, roze en goud kenmerkend.
Volkomen op elkaar afgestemd, vormen ze een subtiel evenwicht
met de natuurlijke kleur van het perkament. Dat is mooi
te zien in het Evangeliarium van Egmond. De tekst van
de vier evangeliën werd omstreeks 865 in Reims voltooid
en nadien elders verrijkt met acht bladgrote miniaturen.
In 975 schonken de graaf van Holland, Dirk II, en zijn
vrouw Hildegard het aan de abdij van Egmond. Om dit te
memoreren zijn twee in zachte tinten roze, groen en rood
uitgevoerde miniaturen toegevoegd, waarop die schenking
en de abdij zijn afgebeeld. Je ziet hoe beide figuren
het boek op een altaar leggen, terwijl om hen heen de
kloosterkerk is afgebeeld. Hiermee hebben we de oudst
bestaande weergave van Noordnederlandse mensen en gebouwen.
Vanaf de dertiende eeuw domineert in het westen
van Europa in de miniatuurkunst blauw als hoofdkleur.
Kleurnuances verdwijnen en het kleurenschema verstrakt.
Ruim twee eeuwen lang overheerst het blauw, toegepast
in combinatie met wit, zwart en veel rood en bladgoud.
In onze streken, Italië, Engeland, Noord-Frankrijk
en Parijs zijn handschriften vervaardigd met nog steeds
helder glanzend goud en de gedetailleerde schilderingen,
die bekoorlijk fris zijn van kleur. Om de verhalende miniaturen
en initialen komt een randversiering met uitbundig krullende
ranken, waaraan acanthusbladeren of bladtakjes ontspruiten
met vruchten en bloemen, waarin ook vogels en (fantasie)dieren
zich ophouden en grappige, soms potsierlijke mensfiguurtjes.
Ook hier overheerst azuurblauw. Maar in dit soort versiering
is door het eeuwenlang herhalen en ondanks het inventief
en streekgebonden variëren iets verstards geslopen.
Waarmee niets te na gezegd wil zijn over de artistieke
kwaliteit van de miniatuurkunst in die tijd. De veertiende
eeuw ziet de opkomst van het getijdenboek. Deze boeken
waren om uit te bidden en om bij te overpeinzen voor persoonlijke
devotie, zowel voor geestelijken als voor leken. Getijdenboeken
zijn tot aan het eind van de Middeleeuwen zo populair
dat ze alle manuscripten in aantal overtreffen. Ze bevatten
teksten uit de evangeliën, de psalmen en gewijde
literatuur, vaak met litanieën en de kalender van
het kerkelijk jaar; alles naar believen van de opdrachtgever.
Iedere streek had zijn eigen heiligen die er bijzondere
verering genoten en hun aanwezigheid vormt, samen met
de stijl, een goed hulpmiddel om de ontstaansgeschiedenis
van de boeken te achterhalen. Dat er innig mee geleefd
is bewijzen in sommige exemplaren de aantekeningen van
geboorte- en sterfdata. Zelfs recepten kom je erin tegen.
Het noemen van miniaturisten als Jean Fouquet,
de gebroeders Limburg met de bekende 'Très Riches
Heures van hertog Jan van Berry', Simon Bening, Gerard
Horenbout en Simon Marmion doet kenners en liefhebbers
van Franse en Zuid-Nederlandse miniaturen watertanden.
Hun kunst is in alle opzichten adembenemend en fonkelt
van weelderig kleurgebruik. Voor ons land is het getijdenboek
van Catharina van Kleef het mooiste dat we uit de vijftiende
eeuw kennen. Het dateert van rond 1440 en bevat 157 sublieme
miniaturen. Het bekendst is de dedicatieminiatuur waarop
Catharina zelf, in rood gewaad, knielend voor de Madonna
met kind is geschilderd, in een gouden mandorla omgeven
door een randdecoratie met familiewapens. Het boek bevat
kleurige miniaturen die getuigen van pakkend realisme,
ontroering en devotie, afgewisseld met angst, humor en
fantasie. De miniaturist schilderde apocalyptische visioenen
en hellemonden. Hij omkaderde zijn heiligenfiguren met
uiterst originele randdecoraties van louter vangnetten
en vogelkooien, of van vissen, mosselen en munten, of
hij beeldt de bezigheden van het gewone volk af en het
tijdverdrijf van de welgestelden, zoals jagen en de valkerij.
Wie was deze meesterschilder aan wie Catharina de opdracht
gaf om zulk een vorstelijk boek te maken? Een anoniem,
uiterst origineel kunstenaar die rond het midden van de
vijftiende eeuw in Utrecht werkte en die de Franse en
Nederlandse miniatuurkunst goed kende.
In het Brugge en Gent van de late vijftiende en
begin zestiende eeuw beleefde de boekverluchting schitterende
nadagen. Daar werkten miniaturisten voor wie het weergeven
van de werkelijkheid een uitdaging was. De verstarde randdecoraties
van krullende acanthus, vruchten en bloemen verruilden
ze voor een realistische weergave van vormen en motieven
uit de natuur, uitgaand van eigen observatie. Het zijn
randen waarop losse bloemen kwistig lijken rondgestrooid,
insecten zijn neergestreken, kleine dieren zitten en allerlei
naar de hoofdvoorstelling verwijzende neventafereeltjes
zijn aangebracht. Andere margeversieringen bestaan uit
edelstenen, parels en juwelen op een groen fond, schelpen
tegen een gele achtergrond, vanitasvoorwerpen afstekend
tegen het blauw, of, wat Simon Bening deed in het Rothschildbrevier,
de hoofdvoorstelling vatten in een architectuuromlijsting,
geïnspireerd op gebeeldhouwde gotische altaarretabels.
Het zijn juweeltjes in waterverf. Van enige schuchterheid
in kleur is geen sprake. Alle kleurcombinaties en -sensaties
komen voor, ook zwart. Zo is in een Brugs getijdenboek
op een van de miniaturen de opwekking van Lazarus uitgebeeld.
De randversiering om dit tafereel is stemmig zwart, beschilderd
met bleekblauwe krullende acanthustakken, afgewisseld
door gouden uitsparinkjes waarin aardbeitjes en bloemen
voorkomen.
Maar er bestaan slechts zeven geheel zwarte manuscripten.
Ze zijn beschreven met zilver- of goudinkt en gedecoreerd
in verschillende kleuren, dit alles op een zwart geprepareerde
ondergrond. Vijf van deze codici zijn op perkament, twee
op papier. Ze worden onder meer bewaard in Wenen, het
Vaticaan en het Louvre. Niet één bleef intact.
Het doordrenken van perkament en papier met zwarte inkt
maakt ze kwetsbaar. Een materiaalontbindend chemisch proces
leidt op den duur tot hun ondergang; perkament en papier
worden broos en bij elke aanraking vallen ze verder uiteen.
Deze zwarte codici zijn waarschijnlijk in Brugge vervaardigd.
De herkomst van deze wel heel speciale handschriften moeten
we zoeken aan het hof van Karel de Stoute, de laatste
hertog van Bourgondië. Zwart was zijn lievelingskleur.
Zo kleedde hij zich ook altijd. Hoewel er geen directe
verbinding ligt - doen die zwarte manuscripten onwillekeurig
denken aan de koninklijke purperen handschriften uit de
oudheid.
Adrie van
Griensven
Literatuur:
Kurt Weitzmann, Spatantike und frühchristliche
Buchmalerei, München, 1977
Tentoonstellingscatalogus, Andachtsbücher der Mittelalter,
Keulen, 1987
Tentoonstellingscatalogus, Blibliotheca Apostiolica
Vaticanana, Keulen, 1992
Tentoonstellingscatalogus, Honderd hoogtepunten uit
de Koninklijke Blibliotheek, Zwolle, 1994
Tentoonstellingscatalogus, Karolingische verluchte handschrifte,
Maarssen-den Haag, 1989
|
 |