 |
Hieronder volgt alleen de
tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen
zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet de
meest kleurrijke juwelen uit de geschiedenis van het juweel
Hoorn des overvloeds
Wie aan Art Deco juwelen denkt,
denkt vooral aan strakke en gestileerde vormen. Dat
blijkt echter niet altijd op te gaan. Tussen circa 1920
en 1935 zijn er ook een paar minder strakke stromingen
geweest en een van de meest interessante daarvan is
die van de tutti frutti of fruit salad juwelen.
Deze sieraden zijn altijd bezet met gegraveerde of gesneden
kleurstenen in combinatie met diamanten en email en
ze doen denken aan stukjes fruit, bloemen en bladmotieven.
De namen tutti frutti en fruit salad dateren trouwens
pas van na de tweede wereldoorlog en ontstonden waarschijnlijk
dankzij de film The gang’s all here, waarin Carmen
Miranda het liedje The lady in the tuti frutti hat zong,
zich ondertussen voortbewegend met een hoeveelheid bakelieten
fruit op haar hoofd. Bakeliet is een kunststof die in
alle kleuren uitvoerbaar is. In de archieven van de
Parijse en Londense juweliers werd voor die tijd uitsluitend
gesproken over respectievelijk pierres sculptés
en carved stones.
Hoewel later vele juweliers zich hebben beziggehouden
met deze stijl in juwelen, was het in eerste instantie
Cartier in Parijs die de mode lanceerde. Verantwoordelijk
voor die lancering was Jeanne Toussaint (1887-1978),
hoofd van de ontwerpafdeling van Cartier in de Rue de
la Paix en de aanleiding lag in India.
DE MAHARADJA VAN PATIALIA
Vanaf het begin van de vorige eeuw stond een aantal
Indiase Maharadja’s onder sterke Europese invloed.
Sommigen van hen hadden huizen in Londen of Parijs en
verbleven regelmatig in Europa. Er gaat zelfs een verhaal
dat geen societyfeest compleet was zonder de aanwezigheid
van de Maharadja van Patialia, niet de rijkste, maar
wel de meest spraakmakende Indiase vorst. Hij trouwde
een Europese vrouw en was de eerste Indiase prins die
in het bezit was van een Europese auto. In 1975 liet
hij door Cartier zijn traditionele juwelen ombouwen
in de Europese Art Deco stijl. Een opdracht waar de
juwelier maar liefst vier jaar over deed. Daarnaast
verkocht hij soms juwelen aan Franse juweliers. Cartier
verwierf op die manier van hem een aantal met bloemmotieven
gegraveerde smaragden. Deze meestal zes- of achthoekige
stenen waren op een typisch Indiase wijze bewerkt en
dateerden uit de Moghulperiode in de zeventiende eeuw.
Toussaint, die reed jarenlang een voorliefde had voor
exotische stijlen en bijvoorbeeld ook veel werkte met
het pantermotief, bedacht een manier om deze smaragden
te verwerken en creëerde daarmee in Europa een
Indiaas beïnvloede stijl. De gegraveerde smaragden
werden bijvoorbeeld opgenomen in een collier van platina
met diamanten, waarvan de ketting bestond uit gesneden
smaragden kralen in de vorm van een speciale Indiase
bes.
DE MEERKLEURIGHEID VAN JEANNE
TOUSSAINT
Terwijl dit juweel dus nog éénkleurig
was, bleek de stap naar meerkleurigheid eenvoudig. De
traditionele Indiase juwelen waren immers ook bijzonder
kleurrijk en Jeanne Toussaint vertaalde dit kleurgebruik
naar de nieuwe mode. De verschillende gekleurde en gegraveerde
edelstenen kwamen mogelijk in het begin uit India, maar
al snel werd ook gebruik gemaakt van de diensten van
stenenbewerkers uit het Duitse Idar-Oberstein, waar
van oudsher een stenen verwerkende industrie bestond.
Bovendien werden de Indiase stenen al snel te grof bevonden
voor de Europese smaak en werd in India bijvoorbeeld
saffier nauwelijks toegepast, omdat de kleur blauw ongeluk
zou brengen. Wel werden door Toussaint delen van Indiase
juwelen, compleet met de zetting, opgenomen in door
haar ontworpen creaties.
MRS. PORTER ZORGDE VOOR
NIEUWE TRENT
De tutti frutti juwelen waren van meet af aan een succes,
maar er was toch een zekere durf voor nodig om ze te
dragen. De eerste klanten behoorden dan ook tot de moderne,
iets artistieke en avant-gardische kopers. En één
van de eerste was Linda Lee Thomas, die in 1919 trouwde
met de Amerikaanse componist en tekstschrijver Cole
Porter. Zij kocht tijdens de wereldtentoonstelling in
1925 in Parijs een armband. Het platina juweel is bezet
met gegraveerde saffieren, smaragden en robijnen, gecombineerd
met diamanten en onyx, in de vorm van een tak met bessen
en bladmotieven en is 3,5 cm breed. In 1929 werd een
tweede armband van vrijwel identiek design aangeschaft.
Mede dankzij Coco Chanel werden vanaf ongeveer 1920
aan beide polsen gelijke armbanden gedragen, een mode
die was ontstaan aan het eind van de zestiende eeuw,
maar door de opkomst van het polshorloge in de tweede
helft van de negentiende eeuw op de achtergrond geraakt.
In juli 1935 bestelde mrs. Porter tenslotte een bij
haar armbanden passende clipbroche, die bezet werd met
gegraveerde stenen uit haar eigen bezit.
DAISY FELLOWES
Inmiddels waren de tutti frutti juwelen algemeen bekend
geworden. Voor een deel was dit te danken aan één
vrouw, Daisy Fellowes (1890-1962).
Daisy Fellowes werd geboren in Parijs als dochter van
de hertog Decazes en Isabelle Blanche Singer, enige
erfgename van het Amerikaanse Singerconcern. Ze was
dus schatrijk en trouwde eerst met baron de Broglie
en later met de Engelse Reginald Fellowes, zij werd
de ongekroonde koningin van het sociale leven in Europa
en Amerika en een absolute trendsetter. Ze was bevriend
met alle belangrijke modemensen, zoals Elsa Schiaparelli
en Coco Chanel en ze liet zich regelmatig, geportretteerd
door Cecil Beaton, afbeelden in vooraanstaande modetijdschriften.
Zo beschreef the Tatler haar in januari 1935 als ‘The
Quintessence of Chic’. Schiaparelli creëerde
speciaal voor haar de beroemd geworden kleur Shocking
Pink , om gedragen te worden bij een grote roze diamant,
die zij in 1929 had gekocht bij Cartier. Deze steen
werd overigens in 1939 gestolen om nooit meer gevonden
te worden, een van de grootste mysteries in de geschiedenis
van het juweel.
In juni 1928 kocht Daisy Fellowes bij dezelfde
juwelier een collier van gegraveerde smaragden en saffieren
kralen in de tutti frutti stijl. Een jaar later al liet
zij het sieraad uitbreiden en tenslotte in 1936 nog
een keer. Uiteindelijk ontstond een juweel dat wereldberoemd
zou worden als het Hindu-collier.
Volgens de overlevering zou Fellowes het sieraad slechts
een keer gedragen hebben tijdens een gemaskerd bal in
Venetië in 1951. Uiteindelijk werd het collier
in 1963 nogmaals aangepast door haar dochter, de gravin
van Casteja om tenslotte in 1991 door Sotheby’s
in Genève te worden geveild in opdracht van de
nabestaanden. Het werd door Cartier teruggekocht en
bevindt zich nu in de historische collectie in Genève.
Daisy Fellowes kocht niet alleen Indiase juwelen
bij Cartier, maar ook bij Van Cleef & Arpels en
Marchak. Deze juweliers verwerkten, dankzij het succes
van Cartier, in een vergelijkbare stijl. Ook van Boucheron
zijn schitterende voorbeelden bekend.
Het Hindu-collier werd in 1951 door Daisy Fellowes gedragen
samen met een paar armbanden in een iets afwijkende
stijl, maar minstens zo kleurrijk. Deze armbanden zijn
echter uitgevoerd in geelgoud en bezet met diverse kleurstenen
in cabochonslijpsel. Caboch betekent kersenpit of knikker
en dit slijpsel werd over het algemeen toegepast in
meer klassiekere ontwerpen, maar bleek uitstekend te
combineren met het halssieraad.
Hoewel Cartier zeker in het begin gebruik heeft
gemaakt van in India gegraveerde en gesneden kleurstenen,
werden deze nooit toegepast in Indiase juwelen zelf.
De bewerking was weliswaar veroorzaakt door de invloed
van de gegraveerde smaragden uit prinselijke collecties,
maar het vervolg was een idee van Toussaint zelf. Alleen
het kleurgebruik was een Indiaas idee. Bovendien werkte
men in India vrijwel altijd in combinatie met kleurig
email, terwijl dat in de tutti frutti juwelen slechts
sporadisch voorkwam. Tenslotte kan aan het gebruik van
platina de Europese herkomst worden vastgesteld. De
veelkleurigheid werd lang niet door iedereen op prijs
gesteld. Veel mensen vonden de sieraden een kermisachtige
uitstraling hebben. Zelfs in behoudende vakkringen werden
soms enigszins denigrerend gesproken over de veelkleurigheid.
In een artikel over wat in Engeland ook wel werd aangeduid
als multigem-jewellery, werd in het tijdschrift the
Graphic van 17 mei 1930 zelfs gesproken over Christmas
tree juwelen. Deze benaming in overigens later nooit
meer gebruikt.
KOPIEËN TUTTI FRUTTI
JUWELEN
Over het algemeen zijn juwelen uit de Art Deco periode
goed te kopiëren. Een goudsmid die zijn vak verstaat
kan met stenen die het liefst in de twintiger jaren
zijn geslepen over het algemeen wonderen verrichten.
Het wordt dan ook steeds moeilijker om originele stukken
van de nagemaakte exemplaren te onderscheiden. Dat geldt
ook voor de tutti frutti juwelen. Nog in de vijftiger
jaren van de vorige eeuw werden op bescheiden schaal
gegraveerde kleursteen verwerkt. Daarna verslapte de
aandacht aanzienlijk. Sinds de interesse in oude en
antieke juwelen weer groeiende is, vooral sinds de zeventiger
jaren, is ook de belangstelling voor tutti frutti juwelen
toegenomen. Zo zelfs dat er sinds enige tijd kopieën
op de markt verschijnen, soms zijn dergelijke kopieën
te herkennen. Het gebruik van witgoud in plaats van
platina voor de zettingen en het montuur is altijd een
aanwijzing dat er iets fout zit, omdat witgoud voor
de Tweede Wereldoorlog voor dergelijke juwelen niet
werd gebruikt. Het ontbreken van keuren is ook een slecht
voorteken, hoewel soms ook juwelen ‘uit de tijd’
geen keuren dragen. Tenslotte maken kopiesten soms onbegrijpelijke
fouten, waardoor ze ogenblikkelijk te ontmaskeren zijn.
Enkele jaren geleden in het Duitse kunsttijdschrift
Die weltkunst een advertentie van een Russische juwelier
Vasily Konovalenko met filialen in Moskou, New York
en Wenen. De gegraveerde kleurstenen in de geadverteerde
juwelen verwijzen naar de Art Deco maar zijn gezet in
juwelen die voor een deel zijn overgenomen van vroegere
ontwerpen. Zo is de broche linksboven een regelrechte
kopie van een Cartierontwerp uit 1910. De oorspronkelijke
broche is uitgevoerd in de zogenaamde style-guirlande,
die door Louis Cartier (1875-1942) vanaf ongeveer 1900
werd ontwikkeld en was geïnspireerd op de late
achttiende eeuw. Van gegraveerde edelstenen was toen
in Europa nog geen sprake.
Klaas Martijn Akkerman
|
 |