 |
Hieronder volgt alleen de
tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen
zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet Omvangrijk
werk met bijzondere status in de wereld van cultuur en
wetenschap Goethe’s
kleurenleer Meeslepend beschrijft
de Duitse dichter en filosoof Johann Wolfgang von Goethe
een reis door het Harzgebergte, midden in de winter.
De lezer waant zich in een schilderij, wanneer hij schrijft
over vage violette schaduwen van een groep bomen en
overhangende rotsen in de door een gele middagzon beschenen
sneeuw. Naarmate de uren verstrijken worden deze schaduwen
steeds dieper blauw in een naar donkergeel-oranje neigend
zonlicht. Als de zon dicht bij de horizon is gekomen
en het purperen licht het gehele landschap in een rode
gloed zet, worden de schaduwen groen. Goethe beschrijft
haast een sprookjeslandschap geschilderd in de kleuren
rood en groen. Het verhaal maakt deel uit van Goethe’s
kleurenleer en is een typisch voorbeeld van de proefondervindelijke
ervaringen waarop deze gebaseerd is.
Goethe’s kleurenleer werd
gepubliceerd in drie gedeelten: als Beiträge zur
Optik I (1791) en II (1792) (deel III, Von den Farbigen
Schatten bleef ongepubliceerd), als Didaktischer Teil
in 1808 en ten slotte in zijn geheel, onder de titel Zur
Farbenlehre in 1810. Het is een omvangrijk werk met een
bijzondere status in de wereld van cultuur en wetenschap;
vanaf het begin zijn er uitgesproken voor- en tegenstanders.
In de huidige zin van het woord is Goethe’s kleurenleer
niet wetenschappelijk, dat wil zeggen niet volgens de
strikt natuurkundige principes gebaseerd op Newton, maar
in de Romantiek rond 1800 lag het begrip wetenschap veel
genuanceerder. Natuurfilosofen vermengden nauwkeurig onderzoek
en feiten met eigen visie en passie, ontleend aan literatuur
en kunst. Naar hun idee zijn kleuren niet alleen natuurkundige
golflengtes, maar ook individuele waarnemingen met gevoelswaarden
en emoties. Ze worden immers gevormd in het brein, via
de optische instrumenten van de ogen.
Kunstenaars, vooral landschapsschilders, hielden
zich juist op deze manier met kleuren bezig. Hoe nemen
zij zelf een bepaalde kleur waar en hoe geven zij die
weer, zodat de kijker deze observatie kan herbeleven?
Alleen wetenschappelijke feiten volstaan niet, vinden
zij.
Goethe’s voornaamste reden om zijn kleurenleer te
schrijven was dat hij op zijn reizen in Italië had
bemerkt dat er geen handleiding over kleuren bestond.
Zijn kleurenleer is een theorie van de waarneming, aan
de hand van eenvoudig uit te voeren proefjes. Met die
waarnemingen bouwt hij een organisch geheel op, waaruit
langzaam de kleurenleer tot bloei komt.
De essentie van de kleurenleer is Goethe ontdekking
dat het menselijke oog (brein) complementaire kleuren
oproept. Deze kleuren worden zo genoemd, omdat zij de
oorspronkelijke kleur aanvullen en compleet maken. Kijk
eens gedurende tien seconden naar een blauw vlak met een
stip in het midden (die de aandacht vasthoudt) en sluit
de ogen. Na enkele seconden verschijnt op het netvlies
hetzelfde vlak met stip, maar nu in de kleur oranje. Gekleurde
schaduw is hetzelfde fenomeen. Waar schaduw valt ontbreekt
licht en daarom is er ook geen kleur. Het oog vult deze
lacune aan met de complementaire kleur, bijvoorbeeld paars
bij geel; zonlicht is hiervan een bekend voorbeeld. Goethe
deed een experiment met een kaars, waarvan hij de schaduw
op een stuk wit papier liet vallen. Het licht van de vlam
kleurde het papier oranje-geel, behalve de schaduw die
blauw was. Om te bewijzen dat de kleur van de schaduw
niet veroorzaakt werd door de vlam, herhaalde hij de proef
met rood papier (groene schaduw) en groen papier (rode
schaduw).
Goethe was zelf op deze gedachte gekomen toen hij
afwisselend een blauwe en gele kleur zag in een doorschijnende
buste in zijn kamer, tegen een donkere respectievelijk
lichte achtergrond. De kleuren geel en blauw, die zo ontstaan,
vormen zijn enige twee basiskleuren.
Een volgende stap is dat hij deze twee kleuren intensiveert,
door meer of minder waas toe te voegen. Geel wordt dan
van oranje tot rood, lichtblauw wordt via donkerblauw
paars. In beide gevallen betekent de intensivering dus
het toevoegen van een rode component. Goethe verbindt
de twee kleurlijnen in hun geïntensiveerde en lichte
pool: lichtblauw met geel geeft groen, rood met paars
geeft magenta. Dit magenta is de sterkste kleur en staat
daarom bovenaan; groen komt dan vanzelf onderaan. Zo ontstaat
een kleurencirkel.
Goethe voerde proeven uit door via een prisma naar
witte en zwarte vlakken te kijken, waarbij dit prisma
op dezelfde wijze functioneert als de troebele massa.
Hij was er zich van bewust dat deze kleuren optisch waren,
maar volgens hem konden ze ook in verf worden nagebootst.
In zijn kleurencirkel komt het basisprincipe van tegenstelling
(tussen licht en donker) terug in het contrast tussen
de kleuren onderling. De complementaire kleuren liggen
tegenover elkaar: rood tegenover groen, oranje tegenover
blauw, geel tegenover paars. Kleuren die elkaar niet
raken (en niet in elkaar overvloeien of direct uit elkaar
voortkomen) noemt hij karakteristieke kleuren. Rood,
geel en blauw vormen een karakteristieke combinatie,
evenals paars, oranje en groen.
| Voor schilders raadt Goethe
karakteristieke combinaties aan om contrasten en
emoties weer te geven. Het toepassen van alle zes
kleuren levert een harmonische combinatie. |
De eerste kunstenaars
die daadwerkelijk zijn kleurleer toepasten, zijn te vinden
in Engeland in het midden van de negentiende eeuw. Dat
is niet zo bijzonder, want al vanaf de achttiende eeuw
is er in brede kringen in Groot-Brittannië belangstelling
voor kleurenleren.
Isaac Newton beschreef zeven kleuren in de regenboog,
de prismatische kleuren (Opticks, 1704). J.C le Blon maakte
voor het eerst onderscheid tussen primaire kleuren (die
niet uit menging ontstaan) en secundaire kleuren (de mengingen
van de primaire kleuren) (Il Colorito, 1735). Moses Harris
maakte een kleurencirkel met drie primaire en drie secundaire
kleuren en deed experimenten met gekleurde schaduwen (The
Natural System of Colours, 1776). In de negentiende eeuw
vond een intensief debat plaats tussen aanhangers van
Newton en die van Goethe: George Field (1817,1835) en
David Brewster (1836) tegenover James Sowerby (1809) en
David Ramsay Hay (1828), om enkelen te noemen.
ENGELAND TEST GOETHE'S
THEORY OF COLOURS
In 1840 verscheen de Engelse
vertaling: Goethe’s Theory of Colours, waardoor
de discussie in bredere kring gevoerd werd. De vertaler
was Charles Eastlake, een autoriteit op het gebied van
schilderkunst: president van de Royal Academy en directeur
van de National Gallery. Hij vond de bestaande publicaties
te theoretisch, te weinig toepasbaar voor schilders. Goethe
baseert zich op eigen waarnemingen, net als schilders,
aldus Eastlake, die bovendien Goethe’s observaties
terugzag in de schilderkundige tradities van de antieken
en de Renaissance (waarin hij was gespecialiseerd). Hij
onderschrijft in zijn uitvoerige annotaties Goethe’s
uitgangspunt van het licht-donker contrast. Een transparante
laag over en witte ondergrond geeft warme gele kleuren;
een doorzichtige laag over een donkere ondergrond geeft
koude, blauwachtige tinten. Daarnaast wijst hij op de
toepassing van complementaire kleurvlakken, niet alleen
in grote delen maar ook in details.
POLARITEIT TUSSEN
LICHT EN DONKER
Een eerste rechtstreekse toepassing
is te vinden bij J.W. Turner, die al in 1818 kleurencirkels
had ontwikkeld voor de ‘aerial’ (optische)
en de materiële keuren. Hij kocht Eastlakes boek
en maakte aantekeningen in de kantlijn, waarin hij blijk
geeft van serieuze kennis van de toepasbaarheid. Hij
was het niet eens met Goethe’s opvatting dat rood
geen basiskleur is en niet in de regenboog zit, maar
hield zich wel bezig met de polariteit tussen licht
en donker. Hij besloot Goethe’s theorie in praktijk
te brengen en exposeerde in 1843 twee grote schilderijen
in de Royal Academy: Light and Shadow (Goethe’s
Theory)- the Morning of the Deluge en Shadow and Darkness-
the Evening of the Deluge. Het ochtendschilderij toont
een vage massa voor een licht vlak, met gele-oranje-rode
tinten; het andere werk toont het omgekeerde effect
met blauwe-paarse tinten. De kleuren geel en blauw domineren
vele van zijn schilderijen en aquarellen en ook in vele
andere werken zijn de experimenten met transparante
atmosferische massa’s (stoom, wolken) terug te
vinden.
DE PRE-RAFAËLIETEN
Een tweede toepassing is minder
bekend: de Pre-Rafaëlieten. In 1848 richtten Dante
Gabriel Rossetti, John Everett Millais en Wiliam Holman
Hunt, met drie anderen, de Pre-Raphaelite Brotherhood
op. Zij zetten zich af tegen de gangbare (donkere) schilderkunst
van de Royal Academy en zochten naar extreme helderheid
in details, waarvoor zij een nieuwe techniek gebruikten
van doorzichtige kleuren op een fel witte ondergrond.
In tegenstelling tot Turner waren zij niet geïnteresseerd
in atmosferische wazen en de blauwe of gele tinten in
het totale landschap. Evenals Goethe, wiens werk zij
ook uit andere bronnen dan Eastlake kenden, observeerden
de Pre-Rafaëlieten elk detail afzonderlijk in de
natuur. Zij keerden zich af van de ‘kille’
wetenschap en vluchtten als echte romantici in de natuur,
de Middeleeuwen en dromen. Holman Hunt las boeken over
kleurenleer en stelde strenge regels op, Rossetti was
de charismatische persoonlijkheid die overal belangstelling
voor had en Millais de bekwame technicus, die na een
keertje zien onmiddellijk wist hoe hij het moest toepassen.
Hun eerste schilderijen in de jaren 1848-1854 schitteren
door de vele heldere prismatische kleuren op de witte
ondergrond, ‘alsof voor het eerst naar de wereld
gekeken werd zonder oogleden’, zoals een criticus
het omschrijft. Het effect van de vele gedetailleerde
kleuren wordt vooral bereikt door een toepassing van
Goethe’s kleurenleer: de complementaire details.
Hiervoor gebruikten de Pre-Rafaëlieten de nieuwe,
sterk verbeterde pigmenten van scheikundige en kleurenleerspecialist
George Field. Elk detail in een Pre-Rafaëlitisch
landschap is even belangrijk, maar werd niet ‘naturalistisch’
geschilderd. Dat kan ook niet, want als je enige tijd
aandachtig kijkt naar een kleurdetail verandert de tint
steeds; de lichtval kan variëren, maar ook treedt
het effect op van complementaire kleur in het oog. Goethe
beschrijft dit verschijnsel uit eigen observatie. Als
je naar een rode klaproos kijkt, wordt groen op het
netvlies opgeroepen; zodra je wegkijkt, lijkt de bloem
in je ooghoek steeds feller rood te worden. Hij verklaart
dit doordat twee beelden (de bloem en de bloem van opzij)
en twee kleuren (rood en groen) samenvloeien en elkaar
versterken.
De Pre-Rafaëlieten zijn zich
ervan bewust dat een detail niet alleen een eigen kleur
heeft, maar ook de kleur van een nabijgelegen voorwerp
of de omgeving kan weerspiegelen. Door via een gat in
een bord naar details in het landschap te kijken en
precies de kleuren te schilderen die dan zichtbaar zijn,
wordt voorkomen dat de omgevingskleuren (of ervaringskleuren)
meespelen. Om te vermijden dat daardoor een grijze samensmelting
ontstaat als je dit in verf probeert vast te leggen,
beperken de kunstenaars zich tot kleine, scherp afgebakende
details en sterk contrasterende kleuren die ook in kleine
details van elkaar te onderscheiden blijven. Deze komen
vooral goed naar voren in de schaduwen. De Pre-Rafaëlieten
zijn de eersten die het fenomeen complementaire schaduwen,
zo vaak besproken in de theorieën, ook echt schilderen.
Holman Hunt zag en schilderde in 1854 in Egypte helder
prismatische paarse schaduwen in het gele woestijnzand,
evenals zijn leerling Thomas Seddon.
In feite schilderden de Pre-Rafaëlieten niet
zozeer wat zij waarnamen, maar wat zij wilden vastleggen
voor zichzelf en de kijker. In de loop van de jaren vijftig
leggen zij zich steeds meer toe op karakteristieke kleurencombinaties
in plaats van complementaire details, vooral oranje-paars-groen.
William Morris, dichter en ontwerper, voelde zich sterk
aangetrokken tot Rossetti. In zijn verhaal The Hollow
Land (1856) beschrijft hij hoe de hoofdpersoon, een middeleeuwse
schilder, zich moet louteren door in plaats van rood en
geel, paars en groen te gaan gebruiken. Tot rond 1860
is dit inderdaad de praktijk bij Rossetti en zijn leerlingen,
maar daarna laten zij zich inspireren door de meer diffuse
Venetiaanse kleuren.
DE POINTILLISTEN
De toepassing van complementaire kleurdetails en het gebruik
van kleurtheorieën wordt weer actueel in Frankrijk,
bij de Pointillisten Georges Seurat en Paul Signac. Net
als de Pre-Rafaëlieten gebruiken zij complementaire
kleurcontrasten in de details, maar zij geven dit weer
als punten op het doek en stellen daarbij de optische
waarneming van de kijker voorop. Van een afstand beschouwd
vloeien de puntjes kleur in elkaar over en ontstaan vormen
en contrasten.
In 1904 bekeek de jonge Duitse schilder Ernst Ludwig Kirchner
een tentoonstelling met werk van de Pointillisten en begon
hij zich te verdiepen in kleurenleren. Hij vond de schilderijen
grauw, doordat de kleuren in elkaar gingen overlopen.
In Goethe’s kleurenleer vond hij de oplossing: de
complementaire kleur wordt vanzelf in het oog van de beschouwer
opgeroepen, dus je hoeft deze niet meer te schilderen.
Door het weglaten van complementairen worden de werken
veel kleuriger, schrijft hij. Zo komt hij tot de karakteristieke
kleurencombinaties van Goethe: rood, geel en blauw en
oranje, groen en paars. Daarnaast ontdekte hij dat hij
met sneldrogende wasverf - pigmenten opgelost in een mengsel
van benzine en bijenwas - gelijkmatige vlakken kleur kon
aanbrengen. Hij kon paars direct naast groen schilderen,
zonder het risico dat de kleuren gingen mengen op het
doek.
ERNST LUDWIG KIRCHNER
In het dorpje Frauenkirch, vlakbij Davos, waar hij vanaf
1917 tot aan zijn dood in 1938 woonde, vond hij een ideale
omgeving voor zijn kleuropvattingen. Het heldere licht
benadrukte overal de zes prismatische kleuren, waarvan
aanvankelijk vooral paars zijn favoriet was. Omdat Kirchner
landschappen en portretten maakte en rekening moest houden
met de realiteit, onderzocht hij ook wat er gebeurde als
je alleen karakteristieke kleuren direct naast elkaar
plaatst. Niet de kleur op zichzelf, maar de samenklank
of harmonie van meerdere kleuren in het beeldvlak is de
essentie van de kleurenleer, beweert hij. Hij gebruikt
kleurige contouren om de vlakken van elkaar te scheiden.
Mädchen mit Kind uit 1919, waaraan hij later werkte
om de kleuren te versterken, is hiervan een voorbeeld.
Terwijl hij hiermee bezig was, bezocht de Groninger schilder
Jan Wiegers hem. Wiegers nam al snel de wasverf-techniek
en de karakteristieke kleurencombinaties van Kirchner
over. In zijn Groninger landschap met Rode Bomen uit 1922
past hij de zes kleuren toe, waarbij hij de ene combinatie
(rood-geel-blauw) nauwkeurig boven de horizon plaatst
en de andere (oranje-groen-paars) eronder. De contrasten
van de zelfstandige kleurvlakken worden benadrukt door
het ontbreken van ruimtewerking. In het bovenste deel
ligt de nadruk op beweging, wind en wolken. Het onderste
deel toont de kracht van het land, de ruwe energie die
daar vanaf straalt.
GOETHE'S REIS OP SCHILDERSDOEK
VASTGELEGD
Kirchner en Wiegers geven in hun landschappen letterlijk
de sprookjesachtige ervaring van Goethe tijdens zijn reis
door het gebergte weer. In de ijle berglucht van Davos
zijn alle voorwaarden aanwezig om de kleurenleer van Goethe
waar te nemen. Vormen en diepte vervagen in zonsondergangen
of het licht van de volle maan, die een kleurgoed over
de schaduwrijke bossen en bergen legt. De grillige glooiingen
in de sneeuwlandschappen roepen vanzelf complementaire
kleuren op, van lichtblauw tot violet. Kirchner schildert
in Frauenkirch im Winter (1918-1919), grotendeels in de
kleuren geel en blauw. Niet alleen in de winter, want
in de zomermaanden tovert het spel van zon en wolken groene,
paarse en oranje weiden en berghellingen tevoorschijn.
In Die Amselfluh uit 1923, zweept Kirchner met zijn kleuren
het gehele berglandschap op tot een hevige dynamiek. De
logge bergmassa’s worden door de karakteristieke
kleuren tot uitzinnig leven gebracht. Goethe zelf had
het niet beter kunnen wensen.
Steven Kolsteren
Literatuur
- Johann Wolfgang von Goethe, Farbenlehre, 1810, Hrsg.
Gerhard Ott / Heinrich O. Proskauer, Stuttgart 1988, 5
Bände
- Charles Lock Eastlake, Goethe’s Theory of Colours,
London 1840
- John Gage,Turner’s Annotated Books: ‘Goethe’s
Theory of Colours’, Turner Studies 1984, vol.4 no
2, p. 34-53.
- John Gage, Colour and Culture, London 1993
- Goethe, Kirchner, Wiegers. De invloed van Goethe’s
kleurenleer, Groninger Museum 1982
- Steven Kolsteren, ‘Das macht die Bilder viel farbiger
– Ernst Ludwig Kirchners kleurenonderzoek en zijn
invloed op Jan Wiegers’ in: Jan Wiegers - De ceremoniemeester
heeft het spel laten beginnen, Groninger Museum 2001,
p. 110-119.
- Narciso Silvestrini, IdeeFarbe. Farbsysteme in Kunst
und Wissenschaft, Zürich 1994
- Goethe’s kleurenleer in het virtuele Groninger
Museum, via gratis browser: www.activeworlds.com/edu/awedu_download.asp
|
 |