Homepage De Zilverbank zoekmachine van de Zilverbank Cachet: het tijdschrift voor liefhebbers van kunst Lezingen, excursies en cursussen Tentoonstellingen Zilverfeiten: informatie en weetjes over Zilver Zilverlinks: links naar andere websites met informatie over zilver en kunst
 
Cachet, tijdschrift voor kunstliefhebbers
 

Zoek op trefwoord in Artikelen uit Cachet
Type een trefwoord in en klik op 'Zoek'.

add search to your site
 

divider
divider
Heeft u vragen over zilver? Vraag het De Zilverbank!
divider
Nr 35: KONINKRIJK HOLLAND
divider

Nr 34: SCHIP AHOY!
divider

Nr 33: DUIVENVOORDE BELICHT
divider

Nr 32: STRALEND NOORDERLICHT
divider

Nr 31: DE GORDEL VAN SMARAGD
divider

Nr 30: EMAIL: DE KUNST VAN HET VERSIEREN
divider

Nr 29: KUNST UIT RUSLAND
divider

Nr 28: THEE: BRON VAN INSPIRATIE
divider

Nr 27: GERAAKT DOOR KLEUR
divider

Nr 26: PARTICULIERE COLLECTIES IN MUSEA
divider

Nr 25: ARTISTIEK DINEREN
divider

Nr 24: GLANSRIJK GEWONNEN
divider

Nr 23: HET PARFUM
divider

Nr 22: VROUWEN IN DE KUNST
divider

Nr 21: GOUD
divider

Nr 20: RIJKDOM DER ZEE
divider

Nr 19: LADING VAN DE VOC
divider
Cachet cover nr 18
Nr 18: RESTAURATIES
divider
Cachet cover nr 17
Nr 17: KUNST OP STILLEVENS
divider
Cachet cover nr 16
Nr 16: INTERIEURS
divider
Cachet cover nr 15
Nr 15: KUNST RONDOM DE AUTOMOBIEL
divider
Cachet cover nr 14
Nr 14: VOGELS
divider
Cachet cover nr 13
Nr.13: ART NOUVEAU
divider
Cachet cover nr 12
Nr.12: JAPONISME
divider

Nr. 11: SOUVENIRS
divider

Nr. 10: GEBOORTE
divider

VRAGEN OVER ZILVER
divider

 

Zoek op trefwoord in Zilverfeiten
Type een trefwoord in en klik op 'Zoek'.
 
Hieronder volgt alleen de tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen zien? Neem dan een abonnement of bestel een los nummer van Cachet

Omvangrijk werk met bijzondere status in de wereld van cultuur en wetenschap

Goethe’s kleurenleer

Meeslepend beschrijft de Duitse dichter en filosoof Johann Wolfgang von Goethe een reis door het Harzgebergte, midden in de winter. De lezer waant zich in een schilderij, wanneer hij schrijft over vage violette schaduwen van een groep bomen en overhangende rotsen in de door een gele middagzon beschenen sneeuw. Naarmate de uren verstrijken worden deze schaduwen steeds dieper blauw in een naar donkergeel-oranje neigend zonlicht. Als de zon dicht bij de horizon is gekomen en het purperen licht het gehele landschap in een rode gloed zet, worden de schaduwen groen. Goethe beschrijft haast een sprookjeslandschap geschilderd in de kleuren rood en groen. Het verhaal maakt deel uit van Goethe’s kleurenleer en is een typisch voorbeeld van de proefondervindelijke ervaringen waarop deze gebaseerd is.

Goethe’s kleurenleer werd gepubliceerd in drie gedeelten: als Beiträge zur Optik I (1791) en II (1792) (deel III, Von den Farbigen Schatten bleef ongepubliceerd), als Didaktischer Teil in 1808 en ten slotte in zijn geheel, onder de titel Zur Farbenlehre in 1810. Het is een omvangrijk werk met een bijzondere status in de wereld van cultuur en wetenschap; vanaf het begin zijn er uitgesproken voor- en tegenstanders. In de huidige zin van het woord is Goethe’s kleurenleer niet wetenschappelijk, dat wil zeggen niet volgens de strikt natuurkundige principes gebaseerd op Newton, maar in de Romantiek rond 1800 lag het begrip wetenschap veel genuanceerder. Natuurfilosofen vermengden nauwkeurig onderzoek en feiten met eigen visie en passie, ontleend aan literatuur en kunst. Naar hun idee zijn kleuren niet alleen natuurkundige golflengtes, maar ook individuele waarnemingen met gevoelswaarden en emoties. Ze worden immers gevormd in het brein, via de optische instrumenten van de ogen.

Kunstenaars, vooral landschapsschilders, hielden zich juist op deze manier met kleuren bezig. Hoe nemen zij zelf een bepaalde kleur waar en hoe geven zij die weer, zodat de kijker deze observatie kan herbeleven? Alleen wetenschappelijke feiten volstaan niet, vinden zij.
Goethe’s voornaamste reden om zijn kleurenleer te schrijven was dat hij op zijn reizen in Italië had bemerkt dat er geen handleiding over kleuren bestond. Zijn kleurenleer is een theorie van de waarneming, aan de hand van eenvoudig uit te voeren proefjes. Met die waarnemingen bouwt hij een organisch geheel op, waaruit langzaam de kleurenleer tot bloei komt.

De essentie van de kleurenleer is Goethe ontdekking dat het menselijke oog (brein) complementaire kleuren oproept. Deze kleuren worden zo genoemd, omdat zij de oorspronkelijke kleur aanvullen en compleet maken. Kijk eens gedurende tien seconden naar een blauw vlak met een stip in het midden (die de aandacht vasthoudt) en sluit de ogen. Na enkele seconden verschijnt op het netvlies hetzelfde vlak met stip, maar nu in de kleur oranje. Gekleurde schaduw is hetzelfde fenomeen. Waar schaduw valt ontbreekt licht en daarom is er ook geen kleur. Het oog vult deze lacune aan met de complementaire kleur, bijvoorbeeld paars bij geel; zonlicht is hiervan een bekend voorbeeld. Goethe deed een experiment met een kaars, waarvan hij de schaduw op een stuk wit papier liet vallen. Het licht van de vlam kleurde het papier oranje-geel, behalve de schaduw die blauw was. Om te bewijzen dat de kleur van de schaduw niet veroorzaakt werd door de vlam, herhaalde hij de proef met rood papier (groene schaduw) en groen papier (rode schaduw).

Goethe was zelf op deze gedachte gekomen toen hij afwisselend een blauwe en gele kleur zag in een doorschijnende buste in zijn kamer, tegen een donkere respectievelijk lichte achtergrond. De kleuren geel en blauw, die zo ontstaan, vormen zijn enige twee basiskleuren.
Een volgende stap is dat hij deze twee kleuren intensiveert, door meer of minder waas toe te voegen. Geel wordt dan van oranje tot rood, lichtblauw wordt via donkerblauw paars. In beide gevallen betekent de intensivering dus het toevoegen van een rode component. Goethe verbindt de twee kleurlijnen in hun geïntensiveerde en lichte pool: lichtblauw met geel geeft groen, rood met paars geeft magenta. Dit magenta is de sterkste kleur en staat daarom bovenaan; groen komt dan vanzelf onderaan. Zo ontstaat een kleurencirkel.

Goethe voerde proeven uit door via een prisma naar witte en zwarte vlakken te kijken, waarbij dit prisma op dezelfde wijze functioneert als de troebele massa. Hij was er zich van bewust dat deze kleuren optisch waren, maar volgens hem konden ze ook in verf worden nagebootst.
In zijn kleurencirkel komt het basisprincipe van tegenstelling (tussen licht en donker) terug in het contrast tussen de kleuren onderling. De complementaire kleuren liggen tegenover elkaar: rood tegenover groen, oranje tegenover blauw, geel tegenover paars. Kleuren die elkaar niet raken (en niet in elkaar overvloeien of direct uit elkaar voortkomen) noemt hij karakteristieke kleuren. Rood, geel en blauw vormen een karakteristieke combinatie, evenals paars, oranje en groen.
Voor schilders raadt Goethe karakteristieke combinaties aan om contrasten en emoties weer te geven. Het toepassen van alle zes kleuren levert een harmonische combinatie.

De eerste kunstenaars die daadwerkelijk zijn kleurleer toepasten, zijn te vinden in Engeland in het midden van de negentiende eeuw. Dat is niet zo bijzonder, want al vanaf de achttiende eeuw is er in brede kringen in Groot-Brittannië belangstelling voor kleurenleren.
Isaac Newton beschreef zeven kleuren in de regenboog, de prismatische kleuren (Opticks, 1704). J.C le Blon maakte voor het eerst onderscheid tussen primaire kleuren (die niet uit menging ontstaan) en secundaire kleuren (de mengingen van de primaire kleuren) (Il Colorito, 1735). Moses Harris maakte een kleurencirkel met drie primaire en drie secundaire kleuren en deed experimenten met gekleurde schaduwen (The Natural System of Colours, 1776). In de negentiende eeuw vond een intensief debat plaats tussen aanhangers van Newton en die van Goethe: George Field (1817,1835) en David Brewster (1836) tegenover James Sowerby (1809) en David Ramsay Hay (1828), om enkelen te noemen.

ENGELAND TEST GOETHE'S THEORY OF COLOURS

In 1840 verscheen de Engelse vertaling: Goethe’s Theory of Colours, waardoor de discussie in bredere kring gevoerd werd. De vertaler was Charles Eastlake, een autoriteit op het gebied van schilderkunst: president van de Royal Academy en directeur van de National Gallery. Hij vond de bestaande publicaties te theoretisch, te weinig toepasbaar voor schilders. Goethe baseert zich op eigen waarnemingen, net als schilders, aldus Eastlake, die bovendien Goethe’s observaties terugzag in de schilderkundige tradities van de antieken en de Renaissance (waarin hij was gespecialiseerd). Hij onderschrijft in zijn uitvoerige annotaties Goethe’s uitgangspunt van het licht-donker contrast. Een transparante laag over en witte ondergrond geeft warme gele kleuren; een doorzichtige laag over een donkere ondergrond geeft koude, blauwachtige tinten. Daarnaast wijst hij op de toepassing van complementaire kleurvlakken, niet alleen in grote delen maar ook in details.

POLARITEIT TUSSEN LICHT EN DONKER

Een eerste rechtstreekse toepassing is te vinden bij J.W. Turner, die al in 1818 kleurencirkels had ontwikkeld voor de ‘aerial’ (optische) en de materiële keuren. Hij kocht Eastlakes boek en maakte aantekeningen in de kantlijn, waarin hij blijk geeft van serieuze kennis van de toepasbaarheid. Hij was het niet eens met Goethe’s opvatting dat rood geen basiskleur is en niet in de regenboog zit, maar hield zich wel bezig met de polariteit tussen licht en donker. Hij besloot Goethe’s theorie in praktijk te brengen en exposeerde in 1843 twee grote schilderijen in de Royal Academy: Light and Shadow (Goethe’s Theory)- the Morning of the Deluge en Shadow and Darkness- the Evening of the Deluge. Het ochtendschilderij toont een vage massa voor een licht vlak, met gele-oranje-rode tinten; het andere werk toont het omgekeerde effect met blauwe-paarse tinten. De kleuren geel en blauw domineren vele van zijn schilderijen en aquarellen en ook in vele andere werken zijn de experimenten met transparante atmosferische massa’s (stoom, wolken) terug te vinden.

DE PRE-RAFAËLIETEN

Een tweede toepassing is minder bekend: de Pre-Rafaëlieten. In 1848 richtten Dante Gabriel Rossetti, John Everett Millais en Wiliam Holman Hunt, met drie anderen, de Pre-Raphaelite Brotherhood op. Zij zetten zich af tegen de gangbare (donkere) schilderkunst van de Royal Academy en zochten naar extreme helderheid in details, waarvoor zij een nieuwe techniek gebruikten van doorzichtige kleuren op een fel witte ondergrond. In tegenstelling tot Turner waren zij niet geïnteresseerd in atmosferische wazen en de blauwe of gele tinten in het totale landschap. Evenals Goethe, wiens werk zij ook uit andere bronnen dan Eastlake kenden, observeerden de Pre-Rafaëlieten elk detail afzonderlijk in de natuur. Zij keerden zich af van de ‘kille’ wetenschap en vluchtten als echte romantici in de natuur, de Middeleeuwen en dromen. Holman Hunt las boeken over kleurenleer en stelde strenge regels op, Rossetti was de charismatische persoonlijkheid die overal belangstelling voor had en Millais de bekwame technicus, die na een keertje zien onmiddellijk wist hoe hij het moest toepassen. Hun eerste schilderijen in de jaren 1848-1854 schitteren door de vele heldere prismatische kleuren op de witte ondergrond, ‘alsof voor het eerst naar de wereld gekeken werd zonder oogleden’, zoals een criticus het omschrijft. Het effect van de vele gedetailleerde kleuren wordt vooral bereikt door een toepassing van Goethe’s kleurenleer: de complementaire details. Hiervoor gebruikten de Pre-Rafaëlieten de nieuwe, sterk verbeterde pigmenten van scheikundige en kleurenleerspecialist George Field. Elk detail in een Pre-Rafaëlitisch landschap is even belangrijk, maar werd niet ‘naturalistisch’ geschilderd. Dat kan ook niet, want als je enige tijd aandachtig kijkt naar een kleurdetail verandert de tint steeds; de lichtval kan variëren, maar ook treedt het effect op van complementaire kleur in het oog. Goethe beschrijft dit verschijnsel uit eigen observatie. Als je naar een rode klaproos kijkt, wordt groen op het netvlies opgeroepen; zodra je wegkijkt, lijkt de bloem in je ooghoek steeds feller rood te worden. Hij verklaart dit doordat twee beelden (de bloem en de bloem van opzij) en twee kleuren (rood en groen) samenvloeien en elkaar versterken.

De Pre-Rafaëlieten zijn zich ervan bewust dat een detail niet alleen een eigen kleur heeft, maar ook de kleur van een nabijgelegen voorwerp of de omgeving kan weerspiegelen. Door via een gat in een bord naar details in het landschap te kijken en precies de kleuren te schilderen die dan zichtbaar zijn, wordt voorkomen dat de omgevingskleuren (of ervaringskleuren) meespelen. Om te vermijden dat daardoor een grijze samensmelting ontstaat als je dit in verf probeert vast te leggen, beperken de kunstenaars zich tot kleine, scherp afgebakende details en sterk contrasterende kleuren die ook in kleine details van elkaar te onderscheiden blijven. Deze komen vooral goed naar voren in de schaduwen. De Pre-Rafaëlieten zijn de eersten die het fenomeen complementaire schaduwen, zo vaak besproken in de theorieën, ook echt schilderen. Holman Hunt zag en schilderde in 1854 in Egypte helder prismatische paarse schaduwen in het gele woestijnzand, evenals zijn leerling Thomas Seddon.

In feite schilderden de Pre-Rafaëlieten niet zozeer wat zij waarnamen, maar wat zij wilden vastleggen voor zichzelf en de kijker. In de loop van de jaren vijftig leggen zij zich steeds meer toe op karakteristieke kleurencombinaties in plaats van complementaire details, vooral oranje-paars-groen. William Morris, dichter en ontwerper, voelde zich sterk aangetrokken tot Rossetti. In zijn verhaal The Hollow Land (1856) beschrijft hij hoe de hoofdpersoon, een middeleeuwse schilder, zich moet louteren door in plaats van rood en geel, paars en groen te gaan gebruiken. Tot rond 1860 is dit inderdaad de praktijk bij Rossetti en zijn leerlingen, maar daarna laten zij zich inspireren door de meer diffuse Venetiaanse kleuren.

DE POINTILLISTEN

De toepassing van complementaire kleurdetails en het gebruik van kleurtheorieën wordt weer actueel in Frankrijk, bij de Pointillisten Georges Seurat en Paul Signac. Net als de Pre-Rafaëlieten gebruiken zij complementaire kleurcontrasten in de details, maar zij geven dit weer als punten op het doek en stellen daarbij de optische waarneming van de kijker voorop. Van een afstand beschouwd vloeien de puntjes kleur in elkaar over en ontstaan vormen en contrasten.
In 1904 bekeek de jonge Duitse schilder Ernst Ludwig Kirchner een tentoonstelling met werk van de Pointillisten en begon hij zich te verdiepen in kleurenleren. Hij vond de schilderijen grauw, doordat de kleuren in elkaar gingen overlopen. In Goethe’s kleurenleer vond hij de oplossing: de complementaire kleur wordt vanzelf in het oog van de beschouwer opgeroepen, dus je hoeft deze niet meer te schilderen. Door het weglaten van complementairen worden de werken veel kleuriger, schrijft hij. Zo komt hij tot de karakteristieke kleurencombinaties van Goethe: rood, geel en blauw en oranje, groen en paars. Daarnaast ontdekte hij dat hij met sneldrogende wasverf - pigmenten opgelost in een mengsel van benzine en bijenwas - gelijkmatige vlakken kleur kon aanbrengen. Hij kon paars direct naast groen schilderen, zonder het risico dat de kleuren gingen mengen op het doek.

ERNST LUDWIG KIRCHNER

In het dorpje Frauenkirch, vlakbij Davos, waar hij vanaf 1917 tot aan zijn dood in 1938 woonde, vond hij een ideale omgeving voor zijn kleuropvattingen. Het heldere licht benadrukte overal de zes prismatische kleuren, waarvan aanvankelijk vooral paars zijn favoriet was. Omdat Kirchner landschappen en portretten maakte en rekening moest houden met de realiteit, onderzocht hij ook wat er gebeurde als je alleen karakteristieke kleuren direct naast elkaar plaatst. Niet de kleur op zichzelf, maar de samenklank of harmonie van meerdere kleuren in het beeldvlak is de essentie van de kleurenleer, beweert hij. Hij gebruikt kleurige contouren om de vlakken van elkaar te scheiden. Mädchen mit Kind uit 1919, waaraan hij later werkte om de kleuren te versterken, is hiervan een voorbeeld. Terwijl hij hiermee bezig was, bezocht de Groninger schilder Jan Wiegers hem. Wiegers nam al snel de wasverf-techniek en de karakteristieke kleurencombinaties van Kirchner over. In zijn Groninger landschap met Rode Bomen uit 1922 past hij de zes kleuren toe, waarbij hij de ene combinatie (rood-geel-blauw) nauwkeurig boven de horizon plaatst en de andere (oranje-groen-paars) eronder. De contrasten van de zelfstandige kleurvlakken worden benadrukt door het ontbreken van ruimtewerking. In het bovenste deel ligt de nadruk op beweging, wind en wolken. Het onderste deel toont de kracht van het land, de ruwe energie die daar vanaf straalt.

GOETHE'S REIS OP SCHILDERSDOEK VASTGELEGD

Kirchner en Wiegers geven in hun landschappen letterlijk de sprookjesachtige ervaring van Goethe tijdens zijn reis door het gebergte weer. In de ijle berglucht van Davos zijn alle voorwaarden aanwezig om de kleurenleer van Goethe waar te nemen. Vormen en diepte vervagen in zonsondergangen of het licht van de volle maan, die een kleurgoed over de schaduwrijke bossen en bergen legt. De grillige glooiingen in de sneeuwlandschappen roepen vanzelf complementaire kleuren op, van lichtblauw tot violet. Kirchner schildert in Frauenkirch im Winter (1918-1919), grotendeels in de kleuren geel en blauw. Niet alleen in de winter, want in de zomermaanden tovert het spel van zon en wolken groene, paarse en oranje weiden en berghellingen tevoorschijn. In Die Amselfluh uit 1923, zweept Kirchner met zijn kleuren het gehele berglandschap op tot een hevige dynamiek. De logge bergmassa’s worden door de karakteristieke kleuren tot uitzinnig leven gebracht. Goethe zelf had het niet beter kunnen wensen.

Steven Kolsteren

Literatuur
- Johann Wolfgang von Goethe, Farbenlehre, 1810, Hrsg. Gerhard Ott / Heinrich O. Proskauer, Stuttgart 1988, 5 Bände
- Charles Lock Eastlake, Goethe’s Theory of Colours, London 1840
- John Gage,Turner’s Annotated Books: ‘Goethe’s Theory of Colours’, Turner Studies 1984, vol.4 no 2, p. 34-53.
- John Gage, Colour and Culture, London 1993
- Goethe, Kirchner, Wiegers. De invloed van Goethe’s kleurenleer, Groninger Museum 1982
- Steven Kolsteren, ‘Das macht die Bilder viel farbiger – Ernst Ludwig Kirchners kleurenonderzoek en zijn invloed op Jan Wiegers’ in: Jan Wiegers - De ceremoniemeester heeft het spel laten beginnen, Groninger Museum 2001, p. 110-119.
- Narciso Silvestrini, IdeeFarbe. Farbsysteme in Kunst und Wissenschaft, Zürich 1994
- Goethe’s kleurenleer in het virtuele Groninger Museum, via gratis browser: www.activeworlds.com/edu/awedu_download.asp