 |
Hieronder volgt alleen de
tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen
zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet
De kostuumverzameling van
Cruys Voorbergh
De zelfkennis van een coinnaisseur
Acteur Cruys Voorbergh hield van het
toneel, maar even gepassioneerd was hij in het verzamelen
van historische kostuums. Zijn omvangrijke collectie
werd in 1951 overgedragen aan het pas opgerichte Nederlands
Kostuummuseum in Den Haag. De verzameling, die uit honderden
modecreaties bestaat, legde de basis voor de huidige
museumcollectie.
Ernest Pieter Coenraad van Vrijberghe
de Coningh werd in 1898 op Java in het toenmalige Nederlands-Indië
geboren, waar zijn vader directeur van een suikerfabriek
was. Ernest bezocht de Toneelacademie in Amsterdam en
kwam in 1919 bij het Groot Nederlandsch Toneel. Hij
kwam uit een gegoede familie, die enige moeite had met
zijn ‘theatrale aspiraties’. Wellicht om
die reden nam de acteur het pseudoniem Cruys Voorbergh
aan. In het geheim volgde hij in Nederland lessen in
toneel, dans, vioolspelen, tekenen en naaldwerk. Hoewel
het theater zeer belangrijk voor hem was, voelde Cruys
Voorbergh zich eveneens aangetrokken tot andere kunsten
en ontwikkelde hij zich tot een artistieke duizendpoot:
hij acteerde, tekende en ontwierp kostuums. De laatste
twee vakken volgde hij aan de Koninklijke Academie van
Beeldende Kunsten in Den Haag. Verder verzamelde hij
historische kostuums, die hij nauwgezet bestudeerde.
Om deze te kunnen restaureren waar dat nodig was, bekwaamde
hij zich in diverse handwerktechnieken zoals borduren
en kantklossen.
Naast dit alles bleek hij ook een
talentvol schrijver, die zijn bevindingen op een
levendige en boeiende manier te boek kon stellen, zoals
in zijn Erfenis van eeuwen vandaag de dag nog altijd
te lezen is. Om een antwoord te krijgen op de vraag
wat Cruys Voorberghs motieven waren om oude kleding
te verzamelen, moeten we ons wenden tot dit boek, dat
hij schreef over zijn onderzoek naar streekdrachten
in Nederland. Hij bekent daarin dat hij van nature “een
felle liefde voor historische costumes” had, dit
ondanks het feit dat hij gezegend was met de zelfkennis
van de connaisseur die zich bewust is van het feit hoeveel
hij niet weet. Maar in het land der blinden is Eenoog
nu eenmaal koning.
Het acteursvak prikkelde Cruys
Voorbergh om met zijn collectie naar buiten te treden.
Daartoe organiseerde hij kostuumdemonstraties en besteedde
hij veel aandacht aan de bewegingen van zijn mannequins.
Hij liet hen vooral zien hoe elke periode haar eigen
manier van bewegen had. Ook wanneer hij zelf op het
toneel stond, was de historische accuratesse van zijn
kleren heel belangrijk. Vóór de Tweede
Wereldoorlog lieten acteurs hun toneelkleren maken naar
eigen inzicht en stijlgevoel. Cruys daarentegen droeg
op het toneel regelmatig kleding uit zijn eigen verzameling.
Hij had plezier in allerlei details, zoals een mooie
antieke kanten zakdoek waar hij in 1947 mee speelde
in het stuk Het Koffiehuis van Carlo Goldoni.
Niet elke acteur beschikte
volgens hem over het talent om de juiste kleding te
dragen. In Erfenis van eeuwen schreef hij: “Aan
het toneel had ik me bij allerlei historische kostumeringen
dikwijls groen en geel geërgerd over het irriterende
gemak, waarmee in de meeste gevallen de ‘pointe’
van een stijlkostuum genegeerd werd en alles overtogen
leek met dezelfde lummelige machteloosheid. Van de geestigste
modeverschijningen werd een balmasquéprak gemaakt,
die altijd eender smaakt. D.w.z.: akelig. Met tact en
veiligheidsspelden lukte het me dan wel eens, een ietwat
verblufte collega te overtuigen, en soms met een behendig
ingrijpen, in de gauwigheid een wezenloos geval tot
een expressiever silhouet te fatsoeneren.”
In 1950 hield hij een spectaculaire
kostuumdemonstratie in het Frans Halsmuseum in Haarlem,
waar zijn collectie tot dan toe gehuisvest was. Deze
show organiseerde hij geheel op eigen risico. De toenmalige
directeur wilde geen verantwoording meer voor dragen
voor de collectie, omdat deze te omvangrijk en te kwetsbaar
was geworden. Van sommige scènes uit de show
werden foto’s gemaakt die als prentbriefkaart
verkrijgbaar waren. Op één ervan is te
zien hoe Cruys Voorbergh een stijf achttiende-eeuws
bediendenpak toch een bepaalde zwier wist mee te geven.
Zijn ogen verraden dat hij als perfectionist tegelijkertijd
alles in gaten houdt, zowel voor als achter de camera.
Toch verkoopt Cruys Voorbergh een jaar later zijn collectie,
onder meer om de studie van zijn twee kinderen Emmy
en Coen te kunnen financieren. Emmy (1947-1992) zou
zijn passie voor kostuums erven en Coen (1950-1997)
zijn acteertalent.
In 1936 werd in Den Haag een
tentoonstelling van historische kostuums gehouden, onder
de titel Het costuum onzer voorouders, ten bate van
de vereniging T.I.B.O. (Tegemoetkoming in Byzondere
Omstandigheden). Vooral kleding uit particuliere collecties
werd getoond. Ook Cruys Voorbergh zond verschillende
stukken in. Deze tentoonstelling had een enorme impact
in kostuumminnend Nederland en steeds meer groeide de
behoefte aan een grote landelijke collectie in een nieuw
te vormen Nederlands Kostuummuseum. In 1950 werd onder
voorzitterschap van professor Frithjof van Thienen de
Stichting Vrienden van het Nederlands Costuummuseum,
Kabinet van Mode en Smaak opgericht, met als doel een
plek te creëren waar kostuums bijeengebracht konden
worden, bestudeerd, gedocumenteerd en tentoongesteld.
De verzameling kostuums van Cruys
Voorbergh werd, hoewel het een particuliere collectie
was, vanaf het begin als basis voor het nieuw te vormen
kostuummuseum gezien. Dit museum zou volgens het bestuur
in Den Haag, een internationaal georiënteerde stad,
gevestigd moeten worden. De Haagse gemeenteraad werd
op een positieve beslissing voorbereid door de twee
oud-directeuren Van Gelder en Hefting. Een succesvolle
kostuumdemonstratie van Cruys Voorbergh in de Trèves-zaal
op 27 september 1950 kweekte ook veel goodwill. Op 1
december van dat jaar gingen B&W overstag en deden
een voorstel tot aankoop. Omdat het hier ging om een
collectie van landelijk belang, had het Rijk f 22.000,-
uit de Marshall-hulp ter beschikking gesteld. Binnen
het raadsvoorstel werd een aparte overeenkomst opgenomen
waarin Cruys Voorbergh zich verplichtte om zesmaal per
jaar op verschillende locaties in het land een demonstratie
te houden om de bekendheid van de collectie te vergroten.
Deze blijvende persoonlijke betrokkenheid bij de collectie
en het museum was cruciaal en de verkoop kreeg zijn
beslag op 27 april 1951.
En zo verhuisden dat jaar niet
minder dan 120 complete kostuums uit de achttiende tot
begin twintigste eeuw, 600 losse onderdelen, 350 sieraden,
gouden en zilveren voorwerpen en bijoux en ruim 300
paar schoenen en andere modeaccessoires van Haarlem
naar Den Haag, naar het nieuwe Nederlands Kostuummuseum.
De streekdrachtkostuums werden overgedragen aan het
Openluchtmuseum in Arnhem. Bij de modekostuums bevond
zich een galajapon of grande parure van lichtblauw satijn
met ingebrocheerde ranken en bloemen in vele kleuren.
De japon, een hofdracht uit omstreeks 1760, zou een
van de topstukken van de collectie van het museum worden.
Na 1951 hield Cruys Voorbergh
contact met ‘zijn’ verzameling als adviseur
van het Kostuummuseum. Hij bleef doorgaan met verzamelen
en bewaren. Na zijn onverwachte en vroegtijdige dood
in september 1963 bleek zijn flat in Den Haag inmiddels
alweer gevuld met nieuwe aanwinsten.. De conservatoren
van het Kostuummuseum troffen er overigens geen warboel
van kostuums en accessoires aan. Alles was keurig geordend
en opgeborgen, want Cruys was een precies man, gesteld
op orde en netheid. Hij was een intellectueel met een
letterlijk en figuurlijk scherp oordeel, die na zijn
pensionering nog wetenschappelijk onderzoek had willen
doen naar kleuren en verfstoffen. Hij had al voorbereidend
onderzoek gedaan en het materiaal daarvan bevindt zich
nog altijd in het Gemeentemuseum in Den Haag. Mevrouw
van Eijkern-Balkestein, toenmalig conservator van de
kostuumcollectie, had in het begin het idee dat Cruys
Voorbergh met enig dédain keek naar dames zoals
zij, die een universitaire studie achter de rug hadden,
maar in de loop van de tijd zou hun samenwerking allengs
inniger worden. Ze herinnert zich dat hij zeer gecharmeerd
was van Zaanse kostuums en van de sieraden en details
in streekdrachten in het algemeen. Maar het meest was
Cruys Voorbergh gehecht aan een groen zestiende-eeuws
mannenjasje, zó klein dat het bijna een jongensmaatje
is. Dit jasje kwam niet mee met de collectie in 1951,
omdat hij het zelf slechts in bruikleen had. Toch zou
het stuk later alsnog in de museumcollectie worden opgenomen.
Achteraf vermoedt Van Eijkern dat Cruys Voorbergh toen
zelf de geheime bruikleengever was. Kennelijk had hij
het niet over zijn hart kunnen verkrijgen om het jasje
al in 1951 af te staan.
In latere jaren is de collectie
van het Kostuummuseum, nu opgegaan in het Gemeentemuseum
Den Haag, uitgegroeid tot meer dan veertigduizend kostuums,
accessoires, modeprenten en vele andere items. Hoe schatplichtig
het museum is aan de bezielde kostuumverzamelaar blijkt
uit de bronzen kop van Cruys Voorbergh, die een ereplaats
heeft gekregen op de verhoging in de modegalerij van
het Gemeentemuseum in Den Haag, waar hij tot op de dag
van vandaag uitkijkt op ontwikkelingen in de mode.
Carin Schnitger
Dit artikel is onder meer
gebaseerd op:
- Cruys Voorbergh, Erfenis van eeuwen, Amsterdam 1942
- Marian Conrads, “Van nature bezeten zijnde met
een felle liefde voor historische costumes”, herinneringen
aan Cruys Voorbergh, verschenen in: Kostuum. Verzamelingen
in beweging, Zwolle 1995, 129-134
- Ietse Meij, Het Nederlands Kostuummuseum / Kabinet
van Mode en Smaak. De geschiedenis van de kostuumverzameling
van het Haags Gemeentemuseum, in: Kostuum. Verzamelingen
in beweging, Zwolle 1995, 108-128
J.M.B., Een galajapon omstreeks 1760, Gemeentemuseum
- mondelinge informatie in januari 2004 van oud-conservatoren
mevrouw drs. J.M. van Eijkern-Balkestein en mevrouw
drs. Mary W. de Jong, die ik beiden hartelijk dank.
|
 |