Homepage De Zilverbank zoekmachine van de Zilverbank Cachet: het tijdschrift voor liefhebbers van kunst Lezingen, excursies en cursussen Tentoonstellingen Zilverfeiten: informatie en weetjes over Zilver Zilverlinks: links naar andere websites met informatie over zilver en kunst
 
Cachet, tijdschrift voor kunstliefhebbers

divider
Heeft u vragen over zilver? Vraag het De Zilverbank!
divider
Nr 35: KONINKRIJK HOLLAND
divider

Nr 34: SCHIP AHOY!
divider

Nr 33: DUIVENVOORDE BELICHT
divider

Nr 32: STRALEND NOORDERLICHT
divider

Nr 31: DE GORDEL VAN SMARAGD
divider

Nr 30: EMAIL: DE KUNST VAN HET VERSIEREN
divider

Nr 29: KUNST UIT RUSLAND
divider

Nr 28: THEE: BRON VAN INSPIRATIE
divider

Nr 27: GERAAKT DOOR KLEUR
divider

Nr 26: PARTICULIERE COLLECTIES IN MUSEA
divider

Nr 25: ARTISTIEK DINEREN
divider

Nr 24: GLANSRIJK GEWONNEN
divider

Nr 23: HET PARFUM
divider

Nr 22: VROUWEN IN DE KUNST
divider

Nr 21: GOUD
divider

Nr 20: RIJKDOM DER ZEE
divider

Nr 19: LADING VAN DE VOC
divider
Cachet cover nr 18
Nr 18: RESTAURATIES
divider
Cachet cover nr 17
Nr 17: KUNST OP STILLEVENS
divider
Cachet cover nr 16
Nr 16: INTERIEURS
divider
Cachet cover nr 15
Nr 15: KUNST RONDOM DE AUTOMOBIEL
divider
Cachet cover nr 14
Nr 14: VOGELS
divider
Cachet cover nr 13
Nr.13: ART NOUVEAU
divider
Cachet cover nr 12
Nr.12: JAPONISME
divider

Nr. 11: SOUVENIRS
divider

Nr. 10: GEBOORTE
divider

VRAGEN OVER ZILVER
divider

Hieronder volgt alleen de tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen zien? Neem dan een abonnement of bestel een los nummer van Cachet

De kostuumverzameling van Cruys Voorbergh

De zelfkennis van een coinnaisseur

Acteur Cruys Voorbergh hield van het toneel, maar even gepassioneerd was hij in het verzamelen van historische kostuums. Zijn omvangrijke collectie werd in 1951 overgedragen aan het pas opgerichte Nederlands Kostuummuseum in Den Haag. De verzameling, die uit honderden modecreaties bestaat, legde de basis voor de huidige museumcollectie.

Ernest Pieter Coenraad van Vrijberghe de Coningh werd in 1898 op Java in het toenmalige Nederlands-Indië geboren, waar zijn vader directeur van een suikerfabriek was. Ernest bezocht de Toneelacademie in Amsterdam en kwam in 1919 bij het Groot Nederlandsch Toneel. Hij kwam uit een gegoede familie, die enige moeite had met zijn ‘theatrale aspiraties’. Wellicht om die reden nam de acteur het pseudoniem Cruys Voorbergh aan. In het geheim volgde hij in Nederland lessen in toneel, dans, vioolspelen, tekenen en naaldwerk. Hoewel het theater zeer belangrijk voor hem was, voelde Cruys Voorbergh zich eveneens aangetrokken tot andere kunsten en ontwikkelde hij zich tot een artistieke duizendpoot: hij acteerde, tekende en ontwierp kostuums. De laatste twee vakken volgde hij aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Verder verzamelde hij historische kostuums, die hij nauwgezet bestudeerde. Om deze te kunnen restaureren waar dat nodig was, bekwaamde hij zich in diverse handwerktechnieken zoals borduren en kantklossen.

Naast dit alles bleek hij ook een talentvol schrijver, die zijn bevindingen op een levendige en boeiende manier te boek kon stellen, zoals in zijn Erfenis van eeuwen vandaag de dag nog altijd te lezen is. Om een antwoord te krijgen op de vraag wat Cruys Voorberghs motieven waren om oude kleding te verzamelen, moeten we ons wenden tot dit boek, dat hij schreef over zijn onderzoek naar streekdrachten in Nederland. Hij bekent daarin dat hij van nature “een felle liefde voor historische costumes” had, dit ondanks het feit dat hij gezegend was met de zelfkennis van de connaisseur die zich bewust is van het feit hoeveel hij niet weet. Maar in het land der blinden is Eenoog nu eenmaal koning.

Het acteursvak prikkelde Cruys Voorbergh om met zijn collectie naar buiten te treden. Daartoe organiseerde hij kostuumdemonstraties en besteedde hij veel aandacht aan de bewegingen van zijn mannequins. Hij liet hen vooral zien hoe elke periode haar eigen manier van bewegen had. Ook wanneer hij zelf op het toneel stond, was de historische accuratesse van zijn kleren heel belangrijk. Vóór de Tweede Wereldoorlog lieten acteurs hun toneelkleren maken naar eigen inzicht en stijlgevoel. Cruys daarentegen droeg op het toneel regelmatig kleding uit zijn eigen verzameling. Hij had plezier in allerlei details, zoals een mooie antieke kanten zakdoek waar hij in 1947 mee speelde in het stuk Het Koffiehuis van Carlo Goldoni.

Niet elke acteur beschikte volgens hem over het talent om de juiste kleding te dragen. In Erfenis van eeuwen schreef hij: “Aan het toneel had ik me bij allerlei historische kostumeringen dikwijls groen en geel geërgerd over het irriterende gemak, waarmee in de meeste gevallen de ‘pointe’ van een stijlkostuum genegeerd werd en alles overtogen leek met dezelfde lummelige machteloosheid. Van de geestigste modeverschijningen werd een balmasquéprak gemaakt, die altijd eender smaakt. D.w.z.: akelig. Met tact en veiligheidsspelden lukte het me dan wel eens, een ietwat verblufte collega te overtuigen, en soms met een behendig ingrijpen, in de gauwigheid een wezenloos geval tot een expressiever silhouet te fatsoeneren.”

In 1950 hield hij een spectaculaire kostuumdemonstratie in het Frans Halsmuseum in Haarlem, waar zijn collectie tot dan toe gehuisvest was. Deze show organiseerde hij geheel op eigen risico. De toenmalige directeur wilde geen verantwoording meer voor dragen voor de collectie, omdat deze te omvangrijk en te kwetsbaar was geworden. Van sommige scènes uit de show werden foto’s gemaakt die als prentbriefkaart verkrijgbaar waren. Op één ervan is te zien hoe Cruys Voorbergh een stijf achttiende-eeuws bediendenpak toch een bepaalde zwier wist mee te geven. Zijn ogen verraden dat hij als perfectionist tegelijkertijd alles in gaten houdt, zowel voor als achter de camera. Toch verkoopt Cruys Voorbergh een jaar later zijn collectie, onder meer om de studie van zijn twee kinderen Emmy en Coen te kunnen financieren. Emmy (1947-1992) zou zijn passie voor kostuums erven en Coen (1950-1997) zijn acteertalent.

In 1936 werd in Den Haag een tentoonstelling van historische kostuums gehouden, onder de titel Het costuum onzer voorouders, ten bate van de vereniging T.I.B.O. (Tegemoetkoming in Byzondere Omstandigheden). Vooral kleding uit particuliere collecties werd getoond. Ook Cruys Voorbergh zond verschillende stukken in. Deze tentoonstelling had een enorme impact in kostuumminnend Nederland en steeds meer groeide de behoefte aan een grote landelijke collectie in een nieuw te vormen Nederlands Kostuummuseum. In 1950 werd onder voorzitterschap van professor Frithjof van Thienen de Stichting Vrienden van het Nederlands Costuummuseum, Kabinet van Mode en Smaak opgericht, met als doel een plek te creëren waar kostuums bijeengebracht konden worden, bestudeerd, gedocumenteerd en tentoongesteld.

De verzameling kostuums van Cruys Voorbergh werd, hoewel het een particuliere collectie was, vanaf het begin als basis voor het nieuw te vormen kostuummuseum gezien. Dit museum zou volgens het bestuur in Den Haag, een internationaal georiënteerde stad, gevestigd moeten worden. De Haagse gemeenteraad werd op een positieve beslissing voorbereid door de twee oud-directeuren Van Gelder en Hefting. Een succesvolle kostuumdemonstratie van Cruys Voorbergh in de Trèves-zaal op 27 september 1950 kweekte ook veel goodwill. Op 1 december van dat jaar gingen B&W overstag en deden een voorstel tot aankoop. Omdat het hier ging om een collectie van landelijk belang, had het Rijk f 22.000,- uit de Marshall-hulp ter beschikking gesteld. Binnen het raadsvoorstel werd een aparte overeenkomst opgenomen waarin Cruys Voorbergh zich verplichtte om zesmaal per jaar op verschillende locaties in het land een demonstratie te houden om de bekendheid van de collectie te vergroten. Deze blijvende persoonlijke betrokkenheid bij de collectie en het museum was cruciaal en de verkoop kreeg zijn beslag op 27 april 1951.

En zo verhuisden dat jaar niet minder dan 120 complete kostuums uit de achttiende tot begin twintigste eeuw, 600 losse onderdelen, 350 sieraden, gouden en zilveren voorwerpen en bijoux en ruim 300 paar schoenen en andere modeaccessoires van Haarlem naar Den Haag, naar het nieuwe Nederlands Kostuummuseum. De streekdrachtkostuums werden overgedragen aan het Openluchtmuseum in Arnhem. Bij de modekostuums bevond zich een galajapon of grande parure van lichtblauw satijn met ingebrocheerde ranken en bloemen in vele kleuren. De japon, een hofdracht uit omstreeks 1760, zou een van de topstukken van de collectie van het museum worden.

Na 1951 hield Cruys Voorbergh contact met ‘zijn’ verzameling als adviseur van het Kostuummuseum. Hij bleef doorgaan met verzamelen en bewaren. Na zijn onverwachte en vroegtijdige dood in september 1963 bleek zijn flat in Den Haag inmiddels alweer gevuld met nieuwe aanwinsten.. De conservatoren van het Kostuummuseum troffen er overigens geen warboel van kostuums en accessoires aan. Alles was keurig geordend en opgeborgen, want Cruys was een precies man, gesteld op orde en netheid. Hij was een intellectueel met een letterlijk en figuurlijk scherp oordeel, die na zijn pensionering nog wetenschappelijk onderzoek had willen doen naar kleuren en verfstoffen. Hij had al voorbereidend onderzoek gedaan en het materiaal daarvan bevindt zich nog altijd in het Gemeentemuseum in Den Haag. Mevrouw van Eijkern-Balkestein, toenmalig conservator van de kostuumcollectie, had in het begin het idee dat Cruys Voorbergh met enig dédain keek naar dames zoals zij, die een universitaire studie achter de rug hadden, maar in de loop van de tijd zou hun samenwerking allengs inniger worden. Ze herinnert zich dat hij zeer gecharmeerd was van Zaanse kostuums en van de sieraden en details in streekdrachten in het algemeen. Maar het meest was Cruys Voorbergh gehecht aan een groen zestiende-eeuws mannenjasje, zó klein dat het bijna een jongensmaatje is. Dit jasje kwam niet mee met de collectie in 1951, omdat hij het zelf slechts in bruikleen had. Toch zou het stuk later alsnog in de museumcollectie worden opgenomen. Achteraf vermoedt Van Eijkern dat Cruys Voorbergh toen zelf de geheime bruikleengever was. Kennelijk had hij het niet over zijn hart kunnen verkrijgen om het jasje al in 1951 af te staan.

In latere jaren is de collectie van het Kostuummuseum, nu opgegaan in het Gemeentemuseum Den Haag, uitgegroeid tot meer dan veertigduizend kostuums, accessoires, modeprenten en vele andere items. Hoe schatplichtig het museum is aan de bezielde kostuumverzamelaar blijkt uit de bronzen kop van Cruys Voorbergh, die een ereplaats heeft gekregen op de verhoging in de modegalerij van het Gemeentemuseum in Den Haag, waar hij tot op de dag van vandaag uitkijkt op ontwikkelingen in de mode.

Carin Schnitger

Dit artikel is onder meer gebaseerd op:
- Cruys Voorbergh, Erfenis van eeuwen, Amsterdam 1942
- Marian Conrads, “Van nature bezeten zijnde met een felle liefde voor historische costumes”, herinneringen aan Cruys Voorbergh, verschenen in: Kostuum. Verzamelingen in beweging, Zwolle 1995, 129-134
- Ietse Meij, Het Nederlands Kostuummuseum / Kabinet van Mode en Smaak. De geschiedenis van de kostuumverzameling van het Haags Gemeentemuseum, in: Kostuum. Verzamelingen in beweging, Zwolle 1995, 108-128
J.M.B., Een galajapon omstreeks 1760, Gemeentemuseum
- mondelinge informatie in januari 2004 van oud-conservatoren mevrouw drs. J.M. van Eijkern-Balkestein en mevrouw drs. Mary W. de Jong, die ik beiden hartelijk dank.