| Olympisch goud, zilver en brons
Van alle sportwedstrijden spreken
de Olympische Spelen waarschijnlijk het meest tot de
verbeelding. Dit vierjaarlijkse evenement werd in 1896
in het leven geroepen naar het voorbeeld van de legendarische
sportcompetities die in het oude Olympia ter ere van
de goden werden gehouden.De Spelen zijn inmiddels uitgegroeid
tot een feest dat miljoenen mensen overal ter wereld
boeit. Het is voor elke atleet het hoogtepunt in zijn
carrière: de klanken van de olympische en de
nationale hymne, het ereschavot, getooid worden met
olympisch goud, zilver of brons. Maar de ware olympische
gedachte staat los van ieder protocol. Meedoen is belangrijker
dan winnen.
Zowel voor het vervaardigen als
voor het overhandigen van de eretekens zijn in het olympisch
handvest precieze richtlijnen vastgelegd.
Zo moeten alle medailles een diameter
van 66 mm en een dikte van 3mm hebben en dienen de vergulde
medailles bedekt te zijn met een goudlaag van minstens
6 gram puur goud. Het charter vermeldt eveneens dat een
diploma wordt overhandigd aan de acht besten van elke
proef en dat alle deelnemers en teamleden een herinneringsdiploma,
een herinneringsmedaille en een herinneringspin krijgen.
De ceremonie rond de huldiging, maar ook het eremetaal
zelf hebben in de loop der tijd ingrijpende veranderingen
ondergaan. Op de eerste olympiade
te Athene in 1896 was er van een erepodium nog geen
sprake. De kampioenen werden niet na de wedstrijd maar
tijdens de slotceremonie gehuldigd. De plechtige overhandiging
van de prijzen gebeurde meestal door de koning vanuit
de ereloge.
Bovendien werden destijds niet de drie besten maar slechts
de twee besten van elke proef beloond. De winnaar ontving
een zilveren medaille, een diploma en, naar het voorbeeld
van de Spelen in de Griekse Oudheid, een olijftak. De
tweede kreeg een koperen medaille, een diploma en een
lauriertak. Op de voorzijde van de medailles was een
afbeelding van de Acropolis gegraveerd. Op de achterzijde
stond het beeld van de Griekse oppergod Zeus met de
overwinningsgodin Nikè. Daarnaast ontvingen sommige
atleten nog een bijzondere ereprijs zoals een beker
of een antieke vaas.
De traditie om de drie beste atleten
van elke wedstrijd te belonen met een gouden, zilveren
of bronzen medaille ontstond op de derde olympiade te
San Louis in 1904.
Toen in 1920 de Olympische Spelen
in Antwerpen plaatsvonden, werden voor het eerst vergulde
in plaats van gouden medailles uitgereikt.
De prijsmedailles waren een ontwerp
van de Antwerpse beeldhouwer Josué Dupon (1864-1935)
die op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn zelf
brons zou behalen in de kunstprijskampen. Op één
zijde van de medailles stond het beeld van een zegevierende
atleet, op de keerzijde het beeld van Brabo, symbool
van Antwerpen. Bij de Spelen in 1920 zag men af van
lauriertwijgen of -kransen. Wel ontvingen alle individuele
winnaars naast een medaille en een diploma ook een mooi
bronzen beeldje, getiteld ‘L’athlète
victorieux’. Het kleinood was ontworpen door de
Belgische beeldhouwer Léandre J.G. Grandmoulin
(1873 –1957).
Bij de voorbereiding van de olympiade
van 1928 te Amsterdam werd een wedstrijd uitgeschreven
voor het ontwerp van een prijsmedaille die voortaan
bij elke olympiade zou worden uitgereikt. Deze ontwerpwedstrijd
werd gewonnen door Guiseppe Cassioli, een bekend Italiaanse
beeldhouwer die zijn sporen al had verdiend met het
ontwerp van de bronzen deuren van de Dom van Florence.
Op de voorzijde van de nieuwe, officiële medaille
prijkte de overwinningsgodin Nikè. Op de achterzijde
stond het beeld van een zegevierende atleet uit de oudheid.
De medaille bleef in gebruik tot na de olympiade van
1968 in Mexico. De medailles uit die periode onderscheiden
zich slechts door het opschrift dat onder meer de plaats
en het jaartal van de Spelen vermeldt.
De olympiade van 1932 in Los Angeles
betekende een mijlpaal in de huldiging van atleten.
Voor het eerst in de geschiedenis van de Olympische
Spelen werd in het stadion een erepodium geplaatst en
werden de atleten tijdens een korte maar imposante plechtigheid
vlak na de wedstrijd gehuldigd.
Ter gelegenheid van de twintigste
olympiade te Munchen in 1972 werd het medailleconcept
vernieuwd. Het beeld van de zegevierende atleet was
niet langer een vereiste. Hierdoor kwam er aan één
zijde van de medailles ruimte vrij voor een eigen ontwerp
van de organisatoren, zodat de ereplakken vanaf 1972
allemaal verschillend zijn. Althans aan één
zijde, want het beeld van Nikè is nog steeds
aanwezig.
Merkwaardig genoeg zijn de richtlijnen voor het vervaardigen
van de medailles voor de Olympische Winterspelen veel
minder strikt dan die voor de Zomerspelen. Het staat
de organiserende comités vrij een eigen ontwerp
te kiezen en ook andere materialen als edelmetalen te
gebruiken zoals kristal of graniet.
Nele Cleijmans |