Homepage De Zilverbank zoekmachine van de Zilverbank Cachet: het tijdschrift voor liefhebbers van kunst Lezingen, excursies en cursussen Tentoonstellingen Zilverfeiten: informatie en weetjes over Zilver Zilverlinks: links naar andere websites met informatie over zilver en kunst
 
Cachet, tijdschrift voor kunstliefhebbers

divider
Heeft u vragen over zilver? Vraag het De Zilverbank!
divider
Nr 35: KONINKRIJK HOLLAND
divider

Nr 34: SCHIP AHOY!
divider

Nr 33: DUIVENVOORDE BELICHT
divider

Nr 32: STRALEND NOORDERLICHT
divider

Nr 31: DE GORDEL VAN SMARAGD
divider

Nr 30: EMAIL: DE KUNST VAN HET VERSIEREN
divider

Nr 29: KUNST UIT RUSLAND
divider

Nr 28: THEE: BRON VAN INSPIRATIE
divider

Nr 27: GERAAKT DOOR KLEUR
divider

Nr 26: PARTICULIERE COLLECTIES IN MUSEA
divider

Nr 25: ARTISTIEK DINEREN
divider

Nr 24: GLANSRIJK GEWONNEN
divider

Nr 23: HET PARFUM
divider

Nr 22: VROUWEN IN DE KUNST
divider

Nr 21: GOUD
divider

Nr 20: RIJKDOM DER ZEE
divider

Nr 19: LADING VAN DE VOC
divider
Cachet cover nr 18
Nr 18: RESTAURATIES
divider
Cachet cover nr 17
Nr 17: KUNST OP STILLEVENS
divider
Cachet cover nr 16
Nr 16: INTERIEURS
divider
Cachet cover nr 15
Nr 15: KUNST RONDOM DE AUTOMOBIEL
divider
Cachet cover nr 14
Nr 14: VOGELS
divider
Cachet cover nr 13
Nr.13: ART NOUVEAU
divider
Cachet cover nr 12
Nr.12: JAPONISME
divider

Nr. 11: SOUVENIRS
divider

Nr. 10: GEBOORTE
divider

VRAGEN OVER ZILVER
divider

Hieronder volgt de alleen de tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen zien? Neem dan een abonnement of bestel een los nummer van Cachet

Achter het commerciële succes van het atelier stond meestal een vrouw
Vrouwen met een meesterteken

Zilver- en goudsmeden is een zwaar vak. Voor het hameren en drijven is spierkracht nodig en daarom werd het beroep tot de tweede helft van de twintigste eeuw voornamelijk door mannen uitgeoefend. De vrouw van de zilversmid had vaak de functie van 'kashoudster': zij deed de bedrijfsvoering en hield de administratie bij. Toch zijn er ook vrouwen geweest die zelf zilvererk hebben gemaakt. Cachet ging naar hen op zoek.

Vrouwen en meisjes hielden zich meestal alleen bezig met het afwerken van de voorwerpen, zoals het bruneren en polijsten, en met het maken van kleingoed zoals zilveren of gouden knopen en miniatuurzilver. Ook waren zij goed in het graveren Zij werden per week betaald en soms per werkstuk, maar hun loon was altijd lager dan dat van hun mannelijke collega’s. Een bekende 18e eeuwse speelgoedmaakster in Amsterdam was Maria Breda. Zij was opgeleid in het atelier van haar vader Boele Rijnhout, speelgoedmaker van het eerste uur, en zij huwde Jan Breda die ook een speelgoedmaker was. Andere Amsterdamse kleinwerksters met eigen meestertekens uit die tijd waren Magdalena Rembrandts, Elisabeth Sluyter en Hendrina Das, die bekend stond om haar gegraveerde tabaksdozen en lodereindoosjes..

In Nederland hadden vrouwen die als kashoudster of kleinwerkster meewerkten in het atelier van hun man meestal geen eigen meesterteken. In Engeland In Engeland vinden we soms wel een gemeenschappelijk meesterteken van man en vrouw.
De vrouw van de zilver- en goudsmid zette na de dood van haar man het atelier in de meeste gevallen voort. Dat deed bijvoorbeeld de weduwe van de in 1751 overleden Amsterdamse zilversmid Jacques Peirolet. Voor de kashouderij, zoals het atelier met winkel genoemd werd, gold als vereiste dat er een meester-edelsmid aan het bedrijf verbonden was en daardoor werd haar twintig jaar oude zoon, Jan Hendrik in het Gilde bijgeschreven. Toch zal de leiding van het atelier in handen van zijn moeder zijn geweest, het bedrijf voerde namelijk de naam weduwe Jacques Peirolet en Zoon. Vanaf de 19e eeuw registreerden weduwen, die het bedrijf van hun overleden echtgenoot voortzetten, bijna altijd hun eigen meesterteken zoals de afgebeelde meestertekens van weduwe H.H. Helweg en weduwe J.H.Stellingwerff. Invloed op de gemaakte goud- en zilverwerken hadden de Nederlandse weduwen echter niet, zij bleven de bedrijfsvoering uitoefenen, het ontwerpen en uitvoeren bleef in handen van de edelsmeden.

Franse rococo in Engels zilver

In het midden van de 18e eeuw gebruikte men de term zilversmid voor zowel de goud- en zilversmid als voor de kashouder van het atelier. In Engeland was het dan ook gebruik om zowel de initialen van de meesteredelsmid als die van zijn meewerkende vrouw en dus zakenpartner in een meesterteken te verenigen. Twee belangrijke 18e eeuwse vrouwelijke zilversmeden in Engeland zijn Elizabeth Godfrey en Louisa Courtauld, die beiden van Franse afkomst waren.
Elisabeth Godfrey ( 1720-1758) was dedochter van Simon Pantin, een Franse Hugenoot en vooraanstaand zilversmid in Londen. Hij leidde zijn dochter al vroeg op in het vak. Elisabeth trouwdemet de Londense zilversmid Benjamin Godfrey en zette na zijn dood in 1741 het succesvolle atelier voort. Het bedrijf leverde een uitzonderlijke kwaliteit zilverwerk en juwelen aan vooraanstaande Engelse families. Elisabeths afkomst was te zien aan de typisch Franse rococo-ornamenten die het zilverwerk sierden en die zelfs het modebeeld gingen beheersen. Godfrey’s werk was zo vooraanstaand dat zij de titel Goudsmid, Zilversmid en Juwelier van hare Koninklijke Hoogheid de Hertogin van Cumberland mocht voeren. Zij geldt nog steeds als de beste vrouwelijke Engelse goud- en zilversmid van de 18e eeuw.

Louisa Courtauld (1729-1807), werd in Londen geboren als dochter van een franse zijdewever. Ook zij zou uitgroeien tot éen van de belangrijkste vrouwen in het goud en zilverbedrijf. Zij huwde Samuel Courtauld, telg uit een belangrijke Engelse goudsmeedfamilie. Zijn vader, Augustin Courtauld, was als kind met zijn familie uit Frankrijk gevlucht. Augustin werd opgeleid door een andere Franse Hugenoot, de al genoemde goudsmid Simon Pantin wiens dochter Elizabeth met Benjamin Godfrey huwde. Courtauld leidde samen met haar man een zeer succesvol bedrijf, dat eveneens furore maakte met de Franse rococostijl. Op de vervaardigde voorwerpen werd een meesterteken afgeslagen met hun beider initialen en een ster in een rechthoek. Nadat zij in 1765 weduwe was geworden liet Louisa Courtauld een gezamenlijk meesterteken maken met de nieuwe zakenpartner en goudsmid Georges Cowles. Haar derde en laatste meesterteken in 1777 deelde zij met haar zoon Samuel Coultauld II. Coultauld beschikte over een groot gevoel voor vernieuwing en stapte daardoor op het juiste moment over van de rococo-stijl op de nieuwe stijl, het neoclassicisme, waardoor de firma succesvol bleef.

Nieuwe opleidingen


Aan het eind van de 19e eeuw veranderden de opleidingsmogelijkheden en konden jonge, aankomende zilversmeden kiezen tussen de traditionele opleiding in de werkplaats van een meesterzilversmid of zich laten inschrijven voor lessen aan een van de kunstnijverheidsscholen of tekenacademies.In de loop van de twintigste eeuw werden hier steeds meer vrouwen toegelaten. De meeste van hen legden zich toe op typisch vrouwelijke vakken als weven. Vrouwelijke zilversmeden met een eigen meesterteken waren de eerste decennia van de twintigste eeuw nog met een lantarentje te zoeken.

Een van hen was Anna Wyers, die van 1908 tot 1914 in Amsterdam werkzaam was. In een nummer van het tijdschrift ‘Onze Kunst’ uit 1910 staan enkele door haar gemaakte sieraden afgebeeld, maar of zij ook groter werk gemaakt heeft is niet bekend. In dit artikel lezen wij dat zij belangstelling had voor de edelsmeedkunst. Na een tekenopleiding aan de Academie in Den Haag ging zij naar de befaamde Central School of Arts and Crafts in Engeland. Haar naam komt dus niet voor op de lijst van de 38 leerlingen van Frans Zwollo sr die van 1897 tot 1907 in Nederland de eerste vakdocent ‘artistieke metaalbewerking’ was aan de Kunstnijverheidsschool te Haarlem. Er waren wel vier andere vrouwen die in die jaren enige tijd les van hem hebben gehad, maar die hebben geen van allen een meesterteken laten registreren. Dit in tegenstelling tot Nora Levisson. Ook zij was een leerlinge van Zwollo, maar dan aan de Academie in Den Haag, waar hij in 1914 benoemd was tot leraar metaalbewerking voor de afdeling Kunstnijverheid. Nora Levisson werd in 1898 in Den Haag geboren en volgde vanaf 1914 de dagopleiding en haalde vier jaar later haar diploma. Van 1918 tot 1927 had zij een eigen atelier in Den Haag. Na haar huwelijk werd ze uitgeschreven bij het Waarborgkantoor, maar bleef contact houden met haar leermeester, die haar nog enkele jaren ‘privaatles’ heeft gegeven. Uit haar meesterteken kan men afleiden dat ook zij waarschijnlijk uitsluitend sieraden heeft gemaakt.

Ook in Amsterdam kon men natuurlijk tot zilversmid worden opgeleid. De zilversmid Jacob A Jacobs was sinds 1917 als vakdocent werkzaam aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus (later het Instituut voor Kunstnijverheid) in Amsterdam, de voorloper van de Gerrit Rietveldacademie. Tussen de talrijke leerlingen die hij in de jaren twintig en dertig heeft opgeleid ware diverse vrouwen. Over het algemeen vervaardigden zij sieraden, maar in de literatuur vindt men ook gebruiksvoorwerpen vermeld. Zo maakten zijn leerlingen, de dames Blokpoel, Premsela en Mesdag, tijdens hun opleiding lepels en groot werk. Hoe deze voorwerpen eruit hebben gezien is helaas onbekend.
In tegenstelling tot de hiergenoemde vrouwen van wie geen werk bekend is, zijn er van Mej. J.H.C. Buekers enkele lepels bekend. Zij registreerde haar meesterteken in 1913 en had tot 1962 een eigen atelier, aanvankelijk in Amsterdam en daarna in Arnhem.Werk van individuele zilversmeden werd veelal gekocht door familie en vrienden en werd, bij gebrek aan bekende galeries, slechts sporadisch geëxposeerd. Ook de pers besteedde er weinig aandacht aan.

Antiek en hedendaags zilver

De laatste jaren is deze ongunstige situatie gelukkig sterk verbeterd. De belangstelling voor hedendaags zilver groeit en in diverse galeries en op kunstbeurzen is groot zilver te zien. Sinds enkele jaren wordt het zelfs soms getoond in combinatie met historische zilvertentoonstellingen. Marlies Stoter, een van de conservatoren van het Fries Museum in Leeuwarden, was een trendsetter en toonde bij de feestelijke heropening na een ingrijpende verbouwing werk van hedendaagse Friese zilversmeden als Marion Pannekoek, Henriette Valkx-de Knegt en Saskia Zuiderduin. Op dit moment kan men in twee musea naast antiek ook hedendaags zilver bewonderen. In het museum Willem van Haaren in Heerenveen toont naast antiek zilver Heerenveens zilver uit de periode 1616-1813 ook fraai hedendaags werk te zien. Ook in het Nederlands Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum in Schoonhoven is contemporain zilver te zien. In een tentoonstelling met de feestelijke titel Zilver & Zoet, Thee & Taart wordt een groot aantal taartscheppen geëxposeerd. De vroegste dateren uit de 18e eeuw de meest recente exemplaren zijn in 2002 vervaardigd, met als blikvanger een taartschep met imposante taartschaal van de Schoonhovense zilversmid Gabri Schumacher.
In een eeuw kan er veel veranderen. In tegenstelling tot heden ten dage was het aantal vrouwen dat zilveren gebruiksvoorwerpen vervaardigde de eerste decennia nog op de vingers van één hand te tellen. De vraag naar eigentijds gebruikszilver is de hele 20e eeuw betrekkelijk gering geweest, zeker in vergelijking tot de hoeveelheid sieraden die in de loop van deze eeuw is gemaakt. Het onderscheid dat men in vroeger eeuwen maakte tussen groot- en kleinwerkers bestaat niet meer. Voor vrijwel alle zilversmeden is het moderne sieraad de kurk waar hun werkplaats op drijft. Daarnaast is er ook veel meer belangstelling voor grote voorwerpen. De tot voor kort algemeen gangbare opvatting dat alleen ‘klassieke’ zilveren gebruiksvoorwerpen meer dan een generatie meegaan lijkt voorbij.

Ontwerpsters van zilver

De veranderingen in het tekenonderwijs leidden ook tot een nieuwe categorie kunstenaars: die van de grafische en industriële ontwerpers, die soms op freelance basis voor zilverfabrieken in Nederland werkzaam waren, maar er over het algemeen in vaste dienst waren. Onder hen is Christa Ehrlich waarschijnlijk een van de bekendste. Zij was een leerlinge van de architect Josef Hoffmann, een van de oprichters van de Wiener Werkstätte en professor aan de Kunstgewerbeschule in Wenen. Sinds 1928 werkte zij in de Zilverfabriek Voorschoten en ontwierp niet alleen een belangrijk deel van het moderne zilver dat hier tot de jaren vijftig werd gemaakt, maar was ook verantwoordelijk voor de grafische vormgeving van de bedrijfsbrochures en verpakkingsmateriaal. Daarnaast ontwierp ze tentoonstellingsstands en de winkeletalages voor Begeer, Van Kempen & Vos. Haar bekendste ontwerp bestaat uit een reeks cilindervormige trommels, die in verschillende hoogten en in vijf verschillende diameters werden gemaakt. Afhankelijk van de functie werden deze geleverd met of zonder deksel, tuit en handvat. Zo is bijvoorbeeld de theepot op afb. even groot als de koektrommel en werd de hoge uitvoering van de melkkan, maar dan met deksel als mokkapot verkocht. Het was een eenvoudige manier om met een beperkt aantal vormen een grote verscheidenheid aan gebruiksvoorwerpen te produceren. Haar ontwerpen worden veelal gekenmerkt door scherpe hoeken en getrapte randen en ornamenten.

In de fabriek van Gerritsen en van Kempen aan de Karpervijver in Zeist was onder meer Ans van Zeijst als ontwerpster werkzaam. Waar zij het vak heeft geleerd is niet bekend, maar vast staat dat zij enkele boeiende, op het Bauhaus geïnpireerde voorwerpen met schijfvormige houten handvatten heeft ontworpen. Bovendien zijn er enkele modernistisch ogende brochures van haar hand bewaard zoals de catalogus van afb. . waarin onder andere de prachtige zinsnede te lezen staat: ‘Zilver schept een sfeer van schoonheid, distinctie en smaak’. In 1933 verruilde zij de tekenkamer voor het klooster.

In tegenstelling tot de twee hier genoemde ontwerpsters, was Emmy Roth een goed opgeleide zilversmid. Zij had een bloeiend atelier in Berlijn en had veel succes met haar ontwerpen die opvallen door evenwichtige onversierde vormen met een gehamerd oppervlak. Haar werk was op diverse grote nationale en internationale tentoonstellingen te zien en werd in de toenmalige kunsttijdschriften en vakbladen regelmatig besproken en afgebeeld. Aan het eind van de jaren dertig verschenen er zelfs in Nederland artikelen over haar werk. De aanleiding daartoe was het feit dat zij in die tijd werkzaam was bij de Zilverfabriek Voorschoten. In 1937 was zij op uitnodiging van Carel Begeer naar Nederland gekomen en heeft gewerkt in de tekenkamer van de Zilverfabriek Voorschoten De voorwerpen die zij hier ontwierp heeft zij, in tegenstelling tot haar werk in Berlijn, niet zelf meer vervaardigd. Er ligt immers een wereld van verschil tussen uit de hand gemaakt en met behulp van machines geforceerd en geperst zilver. Karakteristiek voor haar zilverontwerpen zijn de zachte ronde vormen en vloeiende contouren. Het hier afgebeelde voorbeeld laat zien dat ook zij uitging van basisvormen die door kleine toevoegingen een andere functie krijgen.

Eeuwen lang gebruikten zilversmeden in een bepaalde periode dezelfde ornamentprenten als voorbeeld voor gravures en nieuwe vormen voor gebruiksvoorwerpen. Het meesterteken gaf slechts aan wie verantwoordelijk was voor uitvoering en kwaliteit van een voorwerp. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw, toen de fabrieksmatige productie van zilver een grote vlucht nam, ontstond de vraag naar gespecialiseerde ontwerpers, die goed op de hoogte waren van de eisen die deze nieuwe wijze van produceren stelden. Hij tekende de voorwerpen en zilversmeden werkten in grote zalen waar zij de elders in de fabriek gemaakte losse onderdelen monteerden tot een compleet geheel. Die situatie bestaat nauwelijks meer want de meeste zilverfabrieken zijn gesloten. Zelfstandige zilversmeden hebben nu de toekomst.

Mickey de Rooij en Annelies Krekel
Literatuur:
- K.A. Citroen, Amsterdams zilversmeden en hun merken, Amsterdam 1975
- Philippa Glanville, Jennifer Faulds Goldsborough, 'Women and goldsmithing' in: Women Silversmiths 1685-1845, Washington 1990
- B.J. van Benthem, Twee eeuwen tafelzilver, Zwolle 1996
- J.R. de Lorm, Amsterdams Goud en Zilver, Zwolle 1999
- K. Duysters, 'Al 's werelds goed is poppe-goed': miniatuurzilver in Nederland, Arnhem 1999
- A. Krekel-Aalberse, Modern Zilver 1880-1940, Amsterdam/Londen 1989