 |
Hieronder volgt de alleen
de tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende
afbeeldingen zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet
Achter het commerciële
succes van het atelier stond meestal een vrouw
Vrouwen met een meesterteken
Zilver- en goudsmeden is een
zwaar vak. Voor het hameren en drijven is spierkracht
nodig en daarom werd het beroep tot de tweede helft
van de twintigste eeuw voornamelijk door mannen uitgeoefend.
De vrouw van de zilversmid had vaak de functie van 'kashoudster':
zij deed de bedrijfsvoering en hield de administratie
bij. Toch zijn er ook vrouwen geweest die zelf zilvererk
hebben gemaakt. Cachet ging naar hen op zoek.
Vrouwen en meisjes hielden zich meestal
alleen bezig met het afwerken van de voorwerpen, zoals
het bruneren en polijsten, en met het maken van kleingoed
zoals zilveren of gouden knopen en miniatuurzilver.
Ook waren zij goed in het graveren Zij werden per week
betaald en soms per werkstuk, maar hun loon was altijd
lager dan dat van hun mannelijke collega’s. Een bekende
18e eeuwse speelgoedmaakster in Amsterdam was Maria
Breda. Zij was opgeleid in het atelier van haar vader
Boele Rijnhout, speelgoedmaker van het eerste uur, en
zij huwde Jan Breda die ook een speelgoedmaker was.
Andere Amsterdamse kleinwerksters met eigen meestertekens
uit die tijd waren Magdalena Rembrandts, Elisabeth Sluyter
en Hendrina Das, die bekend stond om haar gegraveerde
tabaksdozen en lodereindoosjes..
In Nederland hadden vrouwen die als kashoudster of kleinwerkster
meewerkten in het atelier van hun man meestal geen eigen
meesterteken. In Engeland In Engeland vinden we soms
wel een gemeenschappelijk meesterteken van man en vrouw.
De vrouw van de zilver- en goudsmid zette na de dood
van haar man het atelier in de meeste gevallen voort.
Dat deed bijvoorbeeld de weduwe van de in 1751 overleden
Amsterdamse zilversmid Jacques Peirolet. Voor de kashouderij,
zoals het atelier met winkel genoemd werd, gold als
vereiste dat er een meester-edelsmid aan het bedrijf
verbonden was en daardoor werd haar twintig jaar oude
zoon, Jan Hendrik in het Gilde bijgeschreven. Toch zal
de leiding van het atelier in handen van zijn moeder
zijn geweest, het bedrijf voerde namelijk de naam weduwe
Jacques Peirolet en Zoon. Vanaf de 19e eeuw registreerden
weduwen, die het bedrijf van hun overleden echtgenoot
voortzetten, bijna altijd hun eigen meesterteken zoals
de afgebeelde meestertekens van weduwe H.H. Helweg en
weduwe J.H.Stellingwerff. Invloed op de gemaakte goud-
en zilverwerken hadden de Nederlandse weduwen echter
niet, zij bleven de bedrijfsvoering uitoefenen, het
ontwerpen en uitvoeren bleef in handen van de edelsmeden.
Franse rococo in Engels
zilver
In het midden van de 18e eeuw gebruikte men de term
zilversmid voor zowel de goud- en zilversmid als voor
de kashouder van het atelier. In Engeland was het dan
ook gebruik om zowel de initialen van de meesteredelsmid
als die van zijn meewerkende vrouw en dus zakenpartner
in een meesterteken te verenigen. Twee belangrijke 18e
eeuwse vrouwelijke zilversmeden in Engeland zijn Elizabeth
Godfrey en Louisa Courtauld, die beiden van Franse afkomst
waren.
Elisabeth Godfrey ( 1720-1758) was dedochter van Simon
Pantin, een Franse Hugenoot en vooraanstaand zilversmid
in Londen. Hij leidde zijn dochter al vroeg op in het
vak. Elisabeth trouwdemet de Londense zilversmid Benjamin
Godfrey en zette na zijn dood in 1741 het succesvolle
atelier voort. Het bedrijf leverde een uitzonderlijke
kwaliteit zilverwerk en juwelen aan vooraanstaande Engelse
families. Elisabeths afkomst was te zien aan de typisch
Franse rococo-ornamenten die het zilverwerk sierden
en die zelfs het modebeeld gingen beheersen. Godfrey’s
werk was zo vooraanstaand dat zij de titel Goudsmid,
Zilversmid en Juwelier van hare Koninklijke Hoogheid
de Hertogin van Cumberland mocht voeren. Zij geldt
nog steeds als de beste vrouwelijke Engelse goud- en
zilversmid van de 18e eeuw.
Louisa Courtauld (1729-1807), werd
in Londen geboren als dochter van een franse zijdewever.
Ook zij zou uitgroeien tot éen van de belangrijkste
vrouwen in het goud en zilverbedrijf. Zij huwde Samuel
Courtauld, telg uit een belangrijke Engelse goudsmeedfamilie.
Zijn vader, Augustin Courtauld, was als kind met zijn
familie uit Frankrijk gevlucht. Augustin werd opgeleid
door een andere Franse Hugenoot, de al genoemde goudsmid
Simon Pantin wiens dochter Elizabeth met Benjamin Godfrey
huwde. Courtauld leidde samen met haar man een zeer
succesvol bedrijf, dat eveneens furore maakte met de
Franse rococostijl. Op de vervaardigde voorwerpen werd
een meesterteken afgeslagen met hun beider initialen
en een ster in een rechthoek. Nadat zij in 1765 weduwe
was geworden liet Louisa Courtauld een gezamenlijk meesterteken
maken met de nieuwe zakenpartner en goudsmid Georges
Cowles. Haar derde en laatste meesterteken in 1777 deelde
zij met haar zoon Samuel Coultauld II. Coultauld beschikte
over een groot gevoel voor vernieuwing en stapte daardoor
op het juiste moment over van de rococo-stijl op de
nieuwe stijl, het neoclassicisme, waardoor de firma
succesvol bleef.
Nieuwe opleidingen
Aan het eind van de 19e eeuw veranderden de opleidingsmogelijkheden
en konden jonge, aankomende zilversmeden kiezen tussen
de traditionele opleiding in de werkplaats van een meesterzilversmid
of zich laten inschrijven voor lessen aan een van de
kunstnijverheidsscholen of tekenacademies.In de loop
van de twintigste eeuw werden hier steeds meer vrouwen
toegelaten. De meeste van hen legden zich toe op typisch
vrouwelijke vakken als weven. Vrouwelijke zilversmeden
met een eigen meesterteken waren de eerste decennia
van de twintigste eeuw nog met een lantarentje te zoeken.
Een van hen was Anna Wyers, die van
1908 tot 1914 in Amsterdam werkzaam was. In een nummer
van het tijdschrift ‘Onze Kunst’ uit 1910 staan enkele
door haar gemaakte sieraden afgebeeld, maar of zij ook
groter werk gemaakt heeft is niet bekend. In dit artikel
lezen wij dat zij belangstelling had voor de edelsmeedkunst.
Na een tekenopleiding aan de Academie in Den Haag ging
zij naar de befaamde Central School of Arts and Crafts
in Engeland. Haar naam komt dus niet voor op de lijst
van de 38 leerlingen van Frans Zwollo sr die van 1897
tot 1907 in Nederland de eerste vakdocent ‘artistieke
metaalbewerking’ was aan de Kunstnijverheidsschool te
Haarlem. Er waren wel vier andere vrouwen die in die
jaren enige tijd les van hem hebben gehad, maar die
hebben geen van allen een meesterteken laten registreren.
Dit in tegenstelling tot Nora Levisson. Ook zij was
een leerlinge van Zwollo, maar dan aan de Academie in
Den Haag, waar hij in 1914 benoemd was tot leraar metaalbewerking
voor de afdeling Kunstnijverheid. Nora Levisson werd
in 1898 in Den Haag geboren en volgde vanaf 1914 de
dagopleiding en haalde vier jaar later haar diploma.
Van 1918 tot 1927 had zij een eigen atelier in Den Haag.
Na haar huwelijk werd ze uitgeschreven bij het Waarborgkantoor,
maar bleef contact houden met haar leermeester, die
haar nog enkele jaren ‘privaatles’ heeft gegeven. Uit
haar meesterteken kan men afleiden dat ook zij waarschijnlijk
uitsluitend sieraden heeft gemaakt.
Ook in Amsterdam kon men natuurlijk
tot zilversmid worden opgeleid. De zilversmid Jacob
A Jacobs was sinds 1917 als vakdocent werkzaam aan de
Kunstnijverheidsschool Quellinus (later het Instituut
voor Kunstnijverheid) in Amsterdam, de voorloper van
de Gerrit Rietveldacademie. Tussen de talrijke leerlingen
die hij in de jaren twintig en dertig heeft opgeleid
ware diverse vrouwen. Over het algemeen vervaardigden
zij sieraden, maar in de literatuur vindt men ook gebruiksvoorwerpen
vermeld. Zo maakten zijn leerlingen, de dames Blokpoel,
Premsela en Mesdag, tijdens hun opleiding lepels en
groot werk. Hoe deze voorwerpen eruit hebben gezien
is helaas onbekend.
In tegenstelling tot de hiergenoemde vrouwen van wie
geen werk bekend is, zijn er van Mej. J.H.C. Buekers
enkele lepels bekend. Zij registreerde haar meesterteken
in 1913 en had tot 1962 een eigen atelier, aanvankelijk
in Amsterdam en daarna in Arnhem.Werk van individuele
zilversmeden werd veelal gekocht door familie en vrienden
en werd, bij gebrek aan bekende galeries, slechts sporadisch
geëxposeerd. Ook de pers besteedde er weinig aandacht
aan.
Antiek en hedendaags zilver
De laatste jaren is deze ongunstige situatie gelukkig
sterk verbeterd. De belangstelling voor hedendaags zilver
groeit en in diverse galeries en op kunstbeurzen is
groot zilver te zien. Sinds enkele jaren wordt het zelfs
soms getoond in combinatie met historische zilvertentoonstellingen.
Marlies Stoter, een van de conservatoren van het Fries
Museum in Leeuwarden, was een trendsetter en toonde
bij de feestelijke heropening na een ingrijpende verbouwing
werk van hedendaagse Friese zilversmeden als Marion
Pannekoek, Henriette Valkx-de Knegt en Saskia Zuiderduin.
Op dit moment kan men in twee musea naast antiek ook
hedendaags zilver bewonderen. In het museum Willem van
Haaren in Heerenveen toont naast antiek zilver Heerenveens
zilver uit de periode 1616-1813 ook fraai hedendaags
werk te zien. Ook in het Nederlands Goud-, Zilver- en
Klokkenmuseum in Schoonhoven is contemporain zilver
te zien. In een tentoonstelling met de feestelijke titel
Zilver & Zoet, Thee & Taart wordt een groot aantal taartscheppen
geëxposeerd. De vroegste dateren uit de 18e eeuw de
meest recente exemplaren zijn in 2002 vervaardigd, met
als blikvanger een taartschep met imposante taartschaal
van de Schoonhovense zilversmid Gabri Schumacher.
In een eeuw kan er veel veranderen. In tegenstelling
tot heden ten dage was het aantal vrouwen dat zilveren
gebruiksvoorwerpen vervaardigde de eerste decennia nog
op de vingers van één hand te tellen. De vraag naar
eigentijds gebruikszilver is de hele 20e eeuw betrekkelijk
gering geweest, zeker in vergelijking tot de hoeveelheid
sieraden die in de loop van deze eeuw is gemaakt. Het
onderscheid dat men in vroeger eeuwen maakte tussen
groot- en kleinwerkers bestaat niet meer. Voor vrijwel
alle zilversmeden is het moderne sieraad de kurk waar
hun werkplaats op drijft. Daarnaast is er ook veel meer
belangstelling voor grote voorwerpen. De tot voor kort
algemeen gangbare opvatting dat alleen ‘klassieke’ zilveren
gebruiksvoorwerpen meer dan een generatie meegaan lijkt
voorbij.
Ontwerpsters van zilver
De veranderingen in het tekenonderwijs leidden ook tot
een nieuwe categorie kunstenaars: die van de grafische
en industriële ontwerpers, die soms op freelance basis
voor zilverfabrieken in Nederland werkzaam waren, maar
er over het algemeen in vaste dienst waren. Onder hen
is Christa Ehrlich waarschijnlijk een van de bekendste.
Zij was een leerlinge van de architect Josef Hoffmann,
een van de oprichters van de Wiener Werkstätte en professor
aan de Kunstgewerbeschule in Wenen. Sinds 1928 werkte
zij in de Zilverfabriek Voorschoten en ontwierp niet
alleen een belangrijk deel van het moderne zilver dat
hier tot de jaren vijftig werd gemaakt, maar was ook
verantwoordelijk voor de grafische vormgeving van de
bedrijfsbrochures en verpakkingsmateriaal. Daarnaast
ontwierp ze tentoonstellingsstands en de winkeletalages
voor Begeer, Van Kempen & Vos. Haar bekendste ontwerp
bestaat uit een reeks cilindervormige trommels, die
in verschillende hoogten en in vijf verschillende diameters
werden gemaakt. Afhankelijk van de functie werden deze
geleverd met of zonder deksel, tuit en handvat. Zo is
bijvoorbeeld de theepot op afb. even groot als de koektrommel
en werd de hoge uitvoering van de melkkan, maar dan
met deksel als mokkapot verkocht. Het was een eenvoudige
manier om met een beperkt aantal vormen een grote verscheidenheid
aan gebruiksvoorwerpen te produceren. Haar ontwerpen
worden veelal gekenmerkt door scherpe hoeken en getrapte
randen en ornamenten.
In de fabriek van Gerritsen en van
Kempen aan de Karpervijver in Zeist was onder meer Ans
van Zeijst als ontwerpster werkzaam. Waar zij het vak
heeft geleerd is niet bekend, maar vast staat dat zij
enkele boeiende, op het Bauhaus geïnpireerde voorwerpen
met schijfvormige houten handvatten heeft ontworpen.
Bovendien zijn er enkele modernistisch ogende brochures
van haar hand bewaard zoals de catalogus van afb. .
waarin onder andere de prachtige zinsnede te lezen staat:
‘Zilver schept een sfeer van schoonheid, distinctie
en smaak’. In 1933 verruilde zij de tekenkamer voor
het klooster.
In tegenstelling tot de twee hier genoemde
ontwerpsters, was Emmy Roth een goed opgeleide zilversmid.
Zij had een bloeiend atelier in Berlijn en had veel
succes met haar ontwerpen die opvallen door evenwichtige
onversierde vormen met een gehamerd oppervlak. Haar
werk was op diverse grote nationale en internationale
tentoonstellingen te zien en werd in de toenmalige kunsttijdschriften
en vakbladen regelmatig besproken en afgebeeld. Aan
het eind van de jaren dertig verschenen er zelfs in
Nederland artikelen over haar werk. De aanleiding daartoe
was het feit dat zij in die tijd werkzaam was bij de
Zilverfabriek Voorschoten. In 1937 was zij op uitnodiging
van Carel Begeer naar Nederland gekomen en heeft gewerkt
in de tekenkamer van de Zilverfabriek Voorschoten De
voorwerpen die zij hier ontwierp heeft zij, in tegenstelling
tot haar werk in Berlijn, niet zelf meer vervaardigd.
Er ligt immers een wereld van verschil tussen uit de
hand gemaakt en met behulp van machines geforceerd en
geperst zilver. Karakteristiek voor haar zilverontwerpen
zijn de zachte ronde vormen en vloeiende contouren.
Het hier afgebeelde voorbeeld laat zien dat ook zij
uitging van basisvormen die door kleine toevoegingen
een andere functie krijgen.
Eeuwen lang gebruikten zilversmeden
in een bepaalde periode dezelfde ornamentprenten als
voorbeeld voor gravures en nieuwe vormen voor gebruiksvoorwerpen.
Het meesterteken gaf slechts aan wie verantwoordelijk
was voor uitvoering en kwaliteit van een voorwerp. Pas
in de tweede helft van de 19e eeuw, toen de fabrieksmatige
productie van zilver een grote vlucht nam, ontstond
de vraag naar gespecialiseerde ontwerpers, die goed
op de hoogte waren van de eisen die deze nieuwe wijze
van produceren stelden. Hij tekende de voorwerpen en
zilversmeden werkten in grote zalen waar zij de elders
in de fabriek gemaakte losse onderdelen monteerden tot
een compleet geheel. Die situatie bestaat nauwelijks
meer want de meeste zilverfabrieken zijn gesloten. Zelfstandige
zilversmeden hebben nu de toekomst.
Mickey de Rooij en Annelies
Krekel
Literatuur:
- K.A. Citroen, Amsterdams zilversmeden en hun merken,
Amsterdam 1975
- Philippa Glanville, Jennifer Faulds Goldsborough,
'Women and goldsmithing' in: Women Silversmiths
1685-1845, Washington 1990
- B.J. van Benthem, Twee eeuwen tafelzilver,
Zwolle 1996
- J.R. de Lorm, Amsterdams Goud en Zilver,
Zwolle 1999
- K. Duysters, 'Al 's werelds goed is poppe-goed':
miniatuurzilver in Nederland, Arnhem 1999
- A. Krekel-Aalberse, Modern Zilver 1880-1940,
Amsterdam/Londen 1989
|
 |