|
|
 |
 |
 |
 |
Hieronder volgt de alleen
de tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen
zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet
Adriaen van Utrecht schilderde
een overdaad aan zilver, glas en porselein
Gevormd in vuur
Stilleven met papegaai of
Stilleven met pronkzilver. Zo wordt dit schilderij
uit 1636 steevast genoemd. Maar wie zich in het werk verdiept
komt tot de ontdekking dat deze titels de lading niet
helemaal dekken. Over een stilleven met een gloedvolle
thematiek!
Het is een fascinerend schilderij,
dit stilleven van de Antwerpse schilder Adriaen van Utrecht
(1599-1652/3). Kriskras door en over elkaar heen liggen
kostbare voorwerpen van porselein en edel metaal op een
tafel, die met een losjes-geplooid bruin tafelkleed is
bedekt. Aan de linkerzijde zien we diverse stukken Chinees
porselein. In het midden staat een zilveren pronkbokaal
met deksel, terzijde een grote schenkkan en daarvoor een
schotel, waarop nog een kan ligt. Verder zien we drie
op de kant gezette zilveren schalen. Daartussen ligt nog
een aantal schijnbaar omgevallen voorwerpen. We herkennen
een bekerschroef, een schelp, omhooggehouden door een
zeemeermin, en een kan. Wat hoger, op een buffetachtige
opbouw achter de tafel, bedekt met hetzelfde bruine kleed,
staat een aantal glazen objecten uitgestald. Een rode
papegaai op draaistok lokt ons de diepte in. Door een
opening in de achterwand kijken we in een ruim vertrek,
dat eruitziet als een werkplaats van een zilversmid. We
zien een man in een voor de tijd ouderwetse kiel en broek,
die in een smeltkroes op het vuur roert. Met zijn andere
arm beweegt hij de blaasbalg die het vuur moet aanwakkeren.
Naast het vuur staat een blok hout met een aambeeld; er
is wat gereedschap tegen het blok geklemd en er ligt een
drijfhamer op de grond. Achter in het vertrek zien we
nog net de werkbank of stavelij.
De in de literatuur gebruikte benamingen voor dit
stilleven doen geen recht aan de werkelijke inhoud van
het schilderij. Wat de schilder heeft uitgebeeld is volgens
mij namelijk een Allegorie van het vuur. De keuze
van de objecten en de handeling op de achtergrond wijzen
alle in die richting. Het vuur als een scheppende kracht
speelt de hoofdrol op dit doek. De afgebeelde voorwerpen
zouden zonder het vuur niet hebben kunnen ontstaan. Het
porselein werd immers gebakken in ovens, de glasmassa
moest worden verhit tot een blaasbare en dus vormbare
substantie en ook de zilveren en verguld zilveren voorwerpen
kwamen tot stand in of door het vuur.
De leer der elementen
Het vuur is een van de vier elementen
uit de leer van Empedocles, waarop in het oude Griekenland
de chemie was gebaseerd. Deze vier elementen zijn vuur,
water, lucht en aarde. De vier-elementen-chemie werd in
de achtste eeuw door Arabische geleerden over de wereld
verspreid en kreeg daarbij de naam alchemie (al
is Arabisch voor 'de', alchemie is dus 'de chemie').
De alchemie werd later vooral beoefend in de hoop uit
onedele materialen goud te kunnen maken. Men meende dat
goud- en zilversmeden door hun kennis van de edele metalen
het best waren toegerust om goud te scheppen via de alchemistische
leer. De man op de achtergrond van het schilderij is zo'n
goudsmid/alchemist, zoals duidelijk wordt gemaakt door
de grote distilleerketel naast hem. Zijn voor de zeventiende
eeuw ouderwetse kledij verwijst er naar dat men in die
tijd de alchemie als een verouderde bezigheid beschouwde.
De allegorische verbeelding van de vier elementen
in een serie van vier prenten of schilderijen werd in
de Renaissance een geliefd thema, even geliefd als het
thema van de vier seizoenen. De traditie, begonnen in
de zestiende eeuw, werd in Antwerpen onder meer voortgezet
door de schilder Jan Breughel de Oude (1568-1625). In
1608 schilderde deze een Allegorie van het vuur,
als onderdeel van een serie van vier schilderijen over
de vier elementen. In veel opzichten werd het een voorbeeld
voor latere versies. Bij Breughel zien we een tafel, een
bank en een kruk, bezaaid met gereedschap en kostbaarheden,
porseleinen kommen, met edel metaal gemonteerde bekers
en bokalen met en zonder deksel. Op de achtergrond zien
we het atelier, waar een aantal zilversmeden aan het werk
is. De Antwerpse stillevenschilder Joris van Son (1623-1667)
schilderde nog in 1656 een serie van de vier elementen.
Ook op zijn doek wordt het element vuur verbeeld door
een roemer en een Chinese Wanli-schotel, die samen met
een zwaantjestazza en een zilveren beker liggend op een
puntschotel worden weergegeven. Bij Van Son wordt de achtergrond
gevormd door een brandend dorp.
Adriaen van Utrecht
Het stilleven van Adriaen van Utrecht
volgt de Antwerpse traditie. De kunstenaar werd in Antwerpen
geboren (met de stad Utrecht is geen relatie bekend) en
ging er op vijftienjarige leeftijd in de leer bij een
plaatselijke schilder. Na zijn opleiding schijnt hij enige
jaren te hebben rondgereisd door Frankrijk, Duitsland
en Italië. Voor kunstenaar was dat in die tijd zeer gebruikelijk.
Vast staat dat Adriaen in 1625 stond ingeschreven als
lid van het Sint-Lucasgilde in zijn geboortestad. Hij
zou er tot zijn dood werkzaam blijven. Adriaen van Utrecht
behoorde in Antwerpen tot de tweede generatie stillevenschilders,
samen met Jan Fijt en Frans Snijders. Hoewel hij in veel
opzichten een interessante en onafhankelijke schilder
is, blijft hij in de schaduw van deze laatsten. Zijn palet
is somber, met vele bruine en blauwgrijze tinten. Nergens
licht het doek op door bijvoorbeeld een wit damasten tafelkleed.
Hij werkt wel met sterke contouren, wat onder meer is
te zien bij de weergave van de uitgestalde objecten. Evenals
Fijt en Snijders richtte hij zich vooral op het schilderen
van jachtstillevens met dode hazen en patrijzen. In 1629
schilderde Adriaen al een stilleven waarop voorwerpen
uit edel metaal te zien zijn. Op het doek van 1636 trekt
hij alle registers open: het is een weelderige expositie
van objecten. In deze jaren dertig, wanneer hij zich gaat
toeleggen op dergelijke grote taferelen, opent hij de
achterwand in de compositie. Op de voorgrond zien we het
feitelijke stilleven, op de achtergrond toont hij, door
middel van een venster of een deur, een landschap of,
zoals hier, een werkplaats.
Porselein en glas
Het Chinese porselein dat men op
vele vroeg-zeventiende-eeuwse stillevens aantreft is vrijwel
altijd vervaardigd tijdens de Ming-dynastie, onder de
regering van keizer Wanli (1573-1619). In Nederland worden
deze stukken traditioneel kraakporselein genoemd,
naar de Portugese carraca's (schepen) waarin ze
voor het eerst naar Europa werden vervoerd. De drie in
elkaar geschoven schotels vertonen het karakteristieke
decor van het Wanli-porselein: waaiervormige panelen met
takken en bloemen, afgewisseld met kleinere vakken met
boeddhistische symbolen. Het plat toont vaak een landschap
met vogels. De twee eenvoudige kommen ernaast ontstonden
in dezelfde periode. Opmerkelijk is het olifantvormige
(wijn)kannetje dat schuin voor de Chinese wijnfles staat.
Voor de kommetjes ligt een ovale schelp, voorzien van
een zilveren montuur. Een pronkstuk is verder het bergkristallen
bokaaltje met gouden montuur, dat mogelijk een kostbare
bruidsbeker was. Het glaswerk dat op de verhoging staat
lijkt van Venetiaanse makelij, maar kan ook heel goed
in Antwerpen zijn vervaardigd. De modellen zijn namelijk
vergelijkbaar met bewaard gebleven glaswerk van de in
Antwerpen werkzame glasblazer Filips Gridolphi (werkzaam
1598-1625), afgebeeld in het boekje Gelaeshuys.
Zilveren tafelstukken
Voorwerpen van edel metaal fungeren
al vroeg als blikvangers op stillevens. Het zijn vaak
kostbare stukken, die niet alleen werden bewonderd om
het dure materiaal maar ook om de kunstvaardigheid van
de maker. Soms gaan ze vergezeld van een leeglopend glas,
een zandloper, een horloge of een schedel. De uitbeelding
van Vanitas ligt dan voor de hand. Soms lijkt het zilverwerk
bijna 'geportretteerd', zoals op het schilderij van de
Antwerpse Clara Peeters (1583?-1657) uit omstreeks 1612.
De door haar geschilderde bokaal lijkt sterk op het exemplaar
bij Adriaen van Utrecht. Dit type renaissance bokaal behoorde
tot de grote zestiende-eeuwse Antwerpse productie, veelal
bestemd voor export. Het is een sterk horizontaal geleed
voorwerp, dat vaak wordt bekroond door een gegoten figuurtje,
zoals hier een lansdrager. In emblemata-boeken uit die
tijd komen afbeeldingen voor van Vrouwe Justitia met een
bokaal in de hand. De daaraan toegevoegde tekst luidt
'Rechtvaardigheid is een zaak van God'. Sam Segal meent
dat het figuurtje op het stilleven van Clara Peeters mogelijk
een Miles Christianus voorstelt. De door Adriaen
van Utrecht afgebeelde bokaal was bepaald geen modern
voorwerp in 1636. Ook de drinkschalen op voet, in documenten
uit die tijd 'coppetas' of 'coppe schale' genoemd en tegenwoordig
ook aangeduid als tazza's, zijn voor het jaar 1636 al
vrij ouderwets. Ook dit type zilverwerk werd buitengewoon
populair in de zestiende eeuw en bleef dat nog in de eerste
decennia van de zeventiende eeuw. Op stillevens zien we
ze uitgebeeld tot diep in de zeventiende eeuw, vaak beladen
met vruchten of zoetigheden. Kennelijk bleven ze bruikbaar,
al waren ze soms al generaties oud.
Twee van de drie drinkschalen op voet zijn zo neergelegd
dat we de in het zilver gedreven voorstellingen goed kunnen
bekijken. Op deze schalen zijn klassieke verhalen uitgebeeld:
op de linkerschaal mogelijk het Oordeel van Paris;
op de schaal achter de bokaal een Zeetriomf, wellicht
Neptunus en Amphitrite. Op de schaal zonder voet
in het midden lijkt eveneens een mythologisch thema te
zijn uitgebeeld. Drinkschalen op voet werden ook in groten
getale in de steden van de Republiek vervaardigd, zoals
in Middelburg, Zierikzee, Delft en Utrecht. Ook daar spelen
de godenwereld en de verhalen uit Ovidius' Metamorphosen
een grote rol.
De kan rechts is met haar
hoog opgedreven motieven, zoals putti met vleugels, zware
vruchtentrossen en acanthusbladwerk, waarschijnlijk een
barokke schenkkan van circa 1630. De al genoemde Joris
van Son schilderde in 1652 misschien wel dezelfde kan
op zijn Stilleven met mand met vruchten. De wanden
van de kan met de putto en de vruchtentrossen zijn identiek,
evenals het gladde oor, de schenktuit uitlopend in een
dierenkop met opengesperde bek, het voluutvormige ornamentje
op de tuit en de bekroning van het deksel met een wapenhoudend
leeuwtje. Veel van de op stillevens afgebeelde schenkkannen
gingen verloren. Vaak kennen we de modellen uitsluitend
van deze geschilderde bronnen. De vraag blijft of de schilders
dergelijke kostbaarheden van elkaar leenden of naar een
(bestaande) modeltekening werkten.
De schenkkan die op zijn kant op de grote schaal
(een 'becken') ligt hoort daar, gezien de versiering,
waarschijnlijk bij. Dergelijke lampetstellen waren in
elk rijk zeventiende-eeuws huishouden in gebruik. Tijdens
en na de maaltijd kon men zich de handen laten begieten.
Als droogdoek fungeerde een groot servet of ook wel de
randen van het tafelkleed. Achter de schaal met de Zeetriomf
staat, verdekt opgesteld, nog een voorwerpje uit een rijk
huishouden: een nu zeldzaam type peperbus, buikig met
een pijpje met een strooiknopje. Ook de bekerschroef die
over het deksel van een kan ligt was een algemeen voorwerp
in de zeventiende eeuw. Bekerschroeven zijn rijk bewerkte
(verguld-)zilveren houders, waarop glazen roemers konden
worden vastgeklemd of geschroefd, waardoor een buitengewoon
feestelijk geheel ontstond. In vele boedelinventarissen
worden deze 'schroeven' genoemd. Helaas zijn er maar enkele
bewaard gebleven. Op de voorgrond zien we fraaie lepels
met benen bakken en nog een deel van een vorkje. In de
dubbele koker of schede met het zilveren manchet (waarover
het barnstenen snoer ligt) zijn mogelijk twee huwelijksmessen
of een mes en een vork gestoken.
Vuurrode vogel
Een opvallende verschijning blijft de ara of papegaai.
In de zeventiende eeuw was de papegaai een symbool voor
grote luxe. Misschien is de vogel hier alleen maar uitgebeeld
vanwege haar inderdaad vuurrode kleur, om als het
ware het alomvattende thema van dit intrigerende stilleven
nog eens te onderstrepen.
Louise van den Bergh
Literatuur:
- Edith Greindle, Les peintres Flamands de nature morte
au XVIIe siecle, Brussel 1956 (2de herz. uitg. Parijs
1983)
- Sam Segal, A Prosperous Past, the sumptuous still
life in the Netherlands 1600-1700, Den Haag 1988
- Peter C. Sutton, The Age of Rubens, Boston 1993-1994
- Zilver uit de gouden eeuw van Antwerpen , Antwerpen
(Rockoxhuis), 1988; Antwerps huiszilver uit de 17e
en 18e eeuw , Antwerpen (Rubenshuis), 1988 |
 |
 |
 |
 |
|