|
|
 |
 |
 |
 |
Hieronder volgt de alleen
de tekst van het artikel. Wilt u ook de bijbehorende afbeeldingen
zien? Neem dan een abonnement
of bestel een los
nummer van Cachet
Van bloembinden naar bloemsierkunst
Ambachtelijke vazen voor een modern
interieur
We vinden het vanzelfsprekend dat
we ons huis het hele jaar door kunnen opfleuren met bloemen.
Niemand staat erbij stil dat dit nog niet zo lang mogelijk
is. Pas omstreeks 1870 zorgden nieuwe kweekmethoden ervoor
dat de beschikbaarheid van bloemen minder afhankelijk
werd van de seizoenen en dat het aanbod op de markt groeide.
Overal in Nederland werden
nieuwe kwekerijen opgericht en natuurlijk kwamen er ook
steeds meer bloemenwinkels. Die eerste bloemisten maakten
volle stijve boeketten, waarin de bloemen overeind werden
gehouden door ijzerdraad en werden omwikkeld met gekleurd
papier. In de etalages stonden knap gemaakte bloemstukken,
die nog het meeste weg hadden van een versierde taart:
de bloemen waren met een korte steel geprikt op een karkas
van ijzerdraad. Zo'n sierstuk kon iedere gewenste vorm
aannemen, zoals een harp, een hart of een schip. Natuurlijk
leverden de winkels ook feestelijke manden die royaal
werden gevuld met bloeiende planten en siervarens en waren
opgemaakt met kleurige strikken.
Natuurlijke boeketten
In diezelfde tijd groeide in Nederland
de aanhang voor nieuwe opvattingen over toegepaste kunst,
waarin gepleit werd voor grotere eenvoud in de interieurs.
Deze werden vooral gevoed door de theorieën van de Engelse
Arts and Crafts Movement. Die roep om eenvoud had eveneens
gevolgen voor de wijze waarop bloemen en planten in huis
een plaats kregen. Zonder twijfel heeft het voorbeeld
van Japan hierbij een belangrijke rol gespeeld. Aan de
invloed die Japan sedert 1860 op allerlei gebieden van
de westerse kunst heeft uitgeoefend is al eerder een heel
nummer van Cachet gewijd. De Japanse bloemsierkunst werd
al eeuwenlang gekenmerkt door eenvoud, vooral waar zij
is toegepast als onderdeel van de theeceremonie. Respect
voor de natuur gold als hoogste norm en werd vooral uitgedrukt
in het betrachten van uiterste soberheid. Een enkele bloesemtak
of een paar irissen in een handgevormde vaas werden beschouwd
als een volmaakt geheel. Asymmetrische composities werden
bij het schikken van bloemen het meest natuurlijk gevonden.
Bloemenvazen waren voornamelijk versierd met glazuren
in natuurlijke tinten als bruin, wit of geel en men vindt
er zelden een schildering op. Onregelmatigheden die tijdens
het bakken van de keramiek ontstonden, bijvoorbeeld glazuurdruppels,
werden niet gezien als een fout, maar als een fraaie speling
van de natuur.
In heel Europa kreeg een losse
schikking van bloesemtakken of verse snijbloemen langzamerhand
de voorkeur. Niet alleen de bloem, maar ook de stengel
of tak mocht gezien worden en de eigen groene bladeren
konden blijven zitten. Nu men door verbeterde kweekmethoden
stevige bloemstengels kon leveren werd het ijzerdraad
als instrument overbodig. Van groot belang was de vaas
waarin zo'n natuurlijk boeket moest worden geplaatst:
druk beschilderde vazen met opvallende patronen vond men
hier niet bij passen. De moderne bloemenwinkel ging op
zoek naar bloemenvazen, die bescheiden van vorm en rustig
van kleur waren: de ‘dienende' vaas.
Brouwer
Een van de eersten die aan deze
vraag van bloemisten kon voldoen was Willem Coenraad Brouwer
(1877-1933). Deze behaalde in 1896 te Leiden zijn M.O.-
akte tekenen en had tijdens zijn studie belangstelling
opgevat voor de nieuwe theorieën uit Engeland. Het streven
naar eenvoud sprak hem bijzonder aan, maar zeker ook de
stelling dat met de hand gemaakte voorwerpen een grotere
schoonheid bezaten dan producten die waren vervaardigd
met behulp van machines. Na zich in verschillende ambachten
te hebben verdiept vond hij zijn bestemming bij het pottenbakken.
In 1901 begon hij te Leiderdorp met enkele medewerkers
zijn kunstaardewerkfabriek ‘Vredelust'. Brouwer liet zich
inspireren door de wijze waarop al eeuwenlang het eenvoudige
gebruiksaardewerk werd gemaakt. Ook in zijn werkplaats
werden de vormen met de hand gedraaid van rood- of geelbakkende
klei en de door hem ontworpen versieringen werden uitsluitend
gemaakt van klei. Vooral die versiering was karakteristiek:
de abstracte motieven werden weggekrast uit een dun laagje
anders gekleurde klei of ze werden met een speciaal napje
op het voorwerp ‘getekend' met vloeibare witte klei. Brouwer
was fel gekant tegen het schilderen van herkenbare voorstellingen
op keramiek en gebruikte hiervoor zelfs woorden als ‘oneerlijk'
en ‘oneigenlijk'.
Dit nieuwe ambachtelijke sieraardewerk
viel bijzonder in de smaak bij de moderne bloemistenstand
en Brouwer vond hier een belangrijke afnemer voor zijn
bedrijf. Bij het ontwerpen van vazen hield hij niet alleen
rekening met hun esthetische eisen, maar hij zorgde er
tevens voor dat zijn aardewerk niet doorlekte: toen nog
bepaald niet vanzelfsprekend voor modern aardewerk! Wellicht
door bloemisten daartoe aangezet bracht Brouwer omstreeks
1905 voor het eerst gekleurde glazuren aan als enige versiering,
zoals gebruikelijk bij de Japanse bloemsierkunst. In de
productie van Brouwer zouden deze kleurige glazuren na
1910 de ingegrifte versieringen geheel vervangen. Steeds
meer nieuwe glazuren werden ontwikkeld en zorgden voor
een goede afzet bij bloemenwinkels.
Zaalberg
Jarenlang had Brouwer als leverancier
voor bloemisten het rijk alleen, maar omstreeks 1920 kreeg
hij concurrentie van een nieuwe generatie met de hand
werkende pottenbakkers. Vooral in de omgeving van Leiden
en Den Haag vestigde zich een opmerkelijk aantal ambachtelijke
pottenbakkers, die vazen, potten en schalen maakten met
fraaie glazuren als enige versiering. De nieuwe opvattingen
over bloemschikken waren nu in brede kring geaccepteerd
en stimuleerden waarschijnlijk deze plotselinge bloei
van het ambachtelijke sierproduct. Tegelijkertijd werd
dit nieuwe aardewerk dankbaar gebruikt door moderne interieurarchitecten.
De ambachtelijke keramiek , al dan niet gevuld met bloeiende
takken planten of bloemen, paste volmaakt in de strakke
en lichte interieurs. Een van de eerste nieuwe ambachtelijke
pottenbakkers was Herman Zaalberg sr. (1880-1958). Na
zestien jaren te hebben gewerkt bij Brouwer besloot hij
in 1918 om zijn eigen pottenbakkerij te beginnen in Zoeterwoude.
Deze kreeg aanvankelijk de naam ‘De Rijn', maar is later
omgedoopt in Potterij Zaalberg. Zijn elfjarige zoon Meindert
(1907-1989) werkte vanaf het begin mee. De Zaalbergs legden
zich toe op het maken van kokervormige en bolle vazen,
die werden versierd met gekleurde glazuren, veelal stromend
of met een als natuurlijk bedoelde ruwe structuur. Door
toedoen van Meindert werden na 1925 behalve de bloemenwinkels
ook kunstnijverheidswinkels en binnenhuisarchitecten goede
klanten. Bekende namen daarbij waren de Haagse Bas van
Pelt en de vestigingen van de firma Metz & Co in Den Haag
en Amsterdam.
Groeneveldt
Het aardewerk van Pieter Groeneveldt
(1889-1982) is onlosmakelijk verbonden met de nieuwe bloemschikkunst.
Na een opleiding tot portretschilder begon hij in 1923
zijn bloemen- en plantenwinkel ‘Sheherazade' aan het Noordeinde
te Den Haag. Het sobere interieur, uitgevoerd in stemmige
zwarte, gouden en grijze tinten, werd ontworpen door de
Haagse binnenhuisarchitect Hendrik Wouda (1885-1947).
Aan de muren hingen met goud versierde zwarte gordijnen
en er stonden alleen dofzwarte bankjes en tafels. Groeneveldt
maakte er geen geheim van dat hij zich liet inspireren
door de Japanse bloemsierkunst. In navolging van de oosterse
dwergboompjes maakt hij in plantenbakken van geglazuurd
aardewerk kleine rotstuintjes en als een van de eersten
gebruikte hij cactussen als sierplant. Nieuw voor Nederland
was zijn idee om een orchidee compleet met plant in een
bloempot te plaatsen, in plaats van de bloem af te knippen
en in een vaas te zetten. Zijn bloemstukken bestonden
meestal uit een, twee of drie takken in een simpele vaas.
Hij gebruikte eerst vooral Japanse keramiek, maar wilde
al spoedig zelf zijn aardewerk te maken. In 1925 opende
hij te Wassenaar zijn eigen werkplaats. Zijn werk is herkenbaar
aan de eenvoud van de vormen en de fraaie, veelal door
Oost-Azië geïnspireerde, glazuren.
Voor veel andere pottenbakkers is het nieuwe bloemschikken
een onmisbare inspiratiebron geweest. Niet alleen in Nederland,
maar ook daarbuiten heeft zij een enorme uitwerking gehad.
De effecten zien we vandaag nog steeds om ons heen.
Literatuur:
-E. van Straaten, Dubbelgebakken. Aardewerknijverheid
in Nederland 1876-1940, Lochem 1979, ook verschenen
als Mededelingenblad Nederlandse Vereniging van Vrienden
van de Ceramiek nr. 94/95 (1979, 2-3)
-E. Ebbinge, W.C. Brouwer (1877-1933), aarden vaatwerk
- tuinaardewerk - bouwaardewerk, Lochem 1980, ook
verschenen als Mededelingenblad Nederlandse Vereniging
van Vrienden van de Ceramiek nr. 97/98 (1980, 1-2)
-B.J. Aalbers, Een hemel van wereldse klei. Meindert
Zaalberg pottenbakker, Kampen 1987
-D. Wintgens Hötte en A. de Jongh-Vermeulen (red.), Dageraad
van de moderne kunst. Leiden en omgeving 1890-1940,
Leiden/Zwolle 1999
|
 |
 |
 |
 |
|