 |
 |
 |
 |
Verborgen schatten in het Westfries
Museum
Vreemde vogels op Nederlands behang
Tweehonderd jaar geleden was het in de mode om niet buiten
maar binnen van de natuur te genieten. Wie het zich kon
veroorloven liet zijn woning decoreren met behangsels
waarop de prachtigste fantasielandschappen waren geschilderd.
En natuurlijk ontbreken ook hier de vogeltjes niet.
 |
 |
  |
| Wand met twee geschilderde
chinoiserieën, aquarel, Vaderlandse Schilder-,
Druck- en Behangselfabriek, Hoorn, 1775-1800, Westfries
Museum Hoorn |
|
 |
De liefde voor de natuur die het laatste kwart
van de achttiende eeuw kenmerkt, uitte zich vooral in
het verzamelen, ordenen en uitbeelden van zaken die met
de natuur van doen hadden. De natuur werd naar de hand
gezet met zorgvuldig aangelegde tuinen en parken. Planten
en dieren werden afgebeeld, opgezet, gedroogd en zoveel
mogelijk geordend volgens de inzichten van die tijd en
opgeborgen in laden, potjes en dozen. Het vaak barre bestaan
van mensen die in en van de natuur moesten leven werd
geromantiseerd tot een arcadië, gestoffeerd met dansende
herderinnetjes en tot lofzangen neigende boerenzoons.
Men bewonderde de natuur, maar hield haar wel op afstand.
Het was een platonische liefde. Zelfs kunstenaars werkten
nog niet ter plekke naar de natuur, maar in de beslotenheid
van hun atelier met opgeprikte vlinders, gedroogde bloemen
en opgezette vogels als voorbeeld. Natuurliefhebbers beperkten
zich tot hun omheinde paradijsjes of de collecties naturalia
in hun kabinetten.
In deze opvatting past de mode om de natuur binnenskamers
te halen in de vorm van kamerbehangsels met landschappen,
vogels en vlinders. Een kamer met beschilderde behangsels
was 'bon ton' voor mensen die de trend van hun tijd volgden.
Ze bleven knus binnen en suggereerden deel te nemen aan
het beschaafde buitenleven. De mode duurde enkele decennia.
Soms werden de behangsels wat opgefrist door bijvoorbeeld
de kleding van de figuranten in de landschappen te moderniseren.
De verbeterde druktechnieken in de negentiende eeuw brachten
een nieuwe mode, die van het papieren behangsel met elk
gewenst motief. De beschilderde behangsels verdwenen achter
nieuwe wandbedekking of ze werden van de muren gerukt.
 |
 |
 |
 |
 |
| |
Detail uit de afbeelding |
|
Detail uit de afbeelding |
 |
Het Westfries Museum in Hoorn beschikt over een
collectie behangsels uit het begin van de negentiende
eeuw en een unieke reeks van ruim honderd behangselontwerpen.
Het zijn aquarellen die glansrijk de tijd hebben doorstaan
en dat is te danken aan een goed bedoelde maar mislukte
onderneming van een filantroop: de doopsgezinde koopman
en vermaner Cornelis Ris. Bewogen door de armoede in zijn
woonplaats Hoorn was hij in 1777 een van de oprichters
van de 'Vaderlandsche Maatschappij van Reederij en Koophandel
ter liefde van ‘t Algemeen', een werkgelegenheidsproject,
gecombineerd met onderwijs. Er werden vloerkleden, boezelaars,
wanten en visnetten gemaakt. Maar Ris wilde nog meer.
Hij wenste 'een bonte pluim op de wollen muts', een visitekaartje
waarmee de Maatschappij voor den dag kon komen. Het werd
de 'Vaderlandsche Schilder-, Druck- en Behangselfabriek'.
De fabriek trok goede ambachtslui aan en voerde bestellingen
uit van Noord-Holland tot in Oost-Friesland. Maar het
management liet te wensen over. De behangselfabriek sloot
in 1826 en de ontwerpen werden in een doos opgeborgen
en als een der merkwaardigste schatten in de collectie
zuinig door het Westfries Museum bewaard om van tijd tot
tijd te worden getoond.
Ruud Spruit
Literatuur:
E.F. Koldeweij, M.J.F. Knuijt, E.G.M. Adriaansz, Achter
het Behang. Vierhonderd jaar wanddecoratie in het Nederlandse
binnenhuis, Amsterdam 1991 Bijschrift: Wand met twee geschilderde
chinoiserieën, aquarel, Vaderlandsche Schilder-, Druck-
en Behangselfabriek, Hoorn, 1775-1800, Westfries Museum
Hoorn |
 |
 |
 |
 |