 |
Nieuwe Kunst: Nederlandse kunst rond
1900
De
vernieuwingen die zich omstreeks 1900 in de Nederlandse
kunstnijverheid en architectuur voordeden, vatten we
tegenwoordig samen onder de term Nieuwe Kunst. De Nieuwe
Kunst is een van de vele varianten van de internationale
Art Nouveau, een stijlbeweging die definitief afrekende
met de negentiende eeuw waarin het navolgen van historische
stijlen hoogtij vierde.
 |
 |
 |
| |
T.A.C. Colenbrander, aardewerken
kasteel, model Pagode, Plateelbakkerij Rozenburg,
den Haag, 1887, h. 44,8 cm, coll. Gem,eentemuseum
Den Haag |
 |
De breuk met het verleden,
die zich niet zonder betekenis afspeelde in de overgang
naar een nieuwe eeuw, komt tot uiting in de namen die
de nationale verschijningsvormen van de internationale
Art Nouveau dragen. Zo spreekt men in Duitsland over
de Jugendstil, is er in Oostenrijk sprake van de Secession,
terwijl België en Frankrijk de benaming Art Nouveau
kennen.
De wortels
Voor de wortels van de Nieuwe Kunst moeten we teruggaan
naar de jaren zestig van de negentiende eeuw, toen er
voor het eerst ondubbelzinnig sprake was van het zoeken
naar een eigen, typisch Nederlandse stijl. Dit zoeken
was een reactie op de met historische stijlelementen
overladen, vaak naturalistische ornamentiek van de kunstnijverheid
van dat moment: het historisme. In de loop van de eeuw
zou de roep om een stijl, waarbij de versiering de grondvorm
van het ontwerp en zijn functie respecteert, steeds
vaker en luider worden gehoord. Om uit de veelheid aan
historische stijlen los te komen, richtte men zich eind
jaren zeventig op één bepaalde stijl, de Hollandse renaissance.
De gedachte hierachter was dat het zich bezinnen op
deze typisch Nederlandse stijl, uit een periode waarin
ons land een grote welvaart kende, als vanzelf zou leiden
tot het ontstaan van een nieuwe, eigentijdse vormgeving.
Een vergelijkbare bezinning op het nationale erfgoed
zien we in andere Europese landen en was medebepalend
voor de uiteindelijke verschijningsvorm van de Art Nouveau-variant
van betreffende natie.
 |
 |
  |
| C.J. van der Hoef, serviesonderdelen
van aardewerk, Plateel bakkerij Zuid-Holland, Gouda,
circa 1904, coll. Gemeentemuseum Den Haag |
|
 |
De
kunstenaars die het nieuwe gezicht van de kunstnijverheid
van rond 1900 mede zouden gaan bepalen, waren veelal
opgeleid aan de kunstnijverheidsscholen die rond 1880
in Haarlem en Amsterdam werden opgericht vanuit de behoefte
aan een adequate beroepsopleiding voor sierkunstenaars.
Hier werden zij geschoold in de verschillende disciplines
van de kunstnijverheid, die zij zowel praktisch als
theoretisch leerden beheersen. Centraal in het onderwijs
stond de bestudering van de natuur die tot zijn grondvormen
werd teruggebracht, of - om in negentiende-eeuwse termen
te spreken - gestyliseerd werd. Daarnaast ging de aandacht
uit naar de rationalistische principes van de vormgeving,
waarin de constructieve en materiële aspecten de (beeld)bepalende
elementen waren.
Het zoeken naar een eigen, nationale stijl viel niet
toevallig samen met een krachtige herleving van de Nederlandse
economie, die onder meer was te danken aan de uitbating
van onze koloniën. De hiermee gepaard gaande handelsactiviteiten
zorgden voor een snelle uitbreiding van de infrastructuur,
zoals de aanleg van kanalen en spoorwegen, en maakten
dat Nederland internationaal weer een rol van betekenis
begon te spelen. Daarnaast werd in de jaren 1890 een
aantal belastingmaatregelen genomen dat het voor de
bezittende klasse aantrekkelijker maakte in industriële
activiteiten te investeren. De economische bloei leidde
tot een expansie van steden als Amsterdam en Den Haag,
waar een maatschappelijke klasse ontstond die uitdrukking
wilde geven aan haar rijkdom. Het is tegen deze achtergronden
- het zoeken naar een nieuwe stijl, het ontstaan van
kunstnijverheidsscholen die de eerste generatie sierkunstenaars
afleverden, en de opbloei van de nationale economie
met alle positieve gevolgen van dien - dat de vernieuwingsbeweging
van rond 1900 verklaard kan worden.
 |
 |
  |
| Johan Thorn Prikker, eikenhouten
stoel met bekleding van wollen trijp, Arts and Crafts,
Den Haag, 1898, coll Gemeentemuseum Den Haag |
|
 |
Het
begin
Internationaal gezien geldt als het beginpunt van de
Art Nouveau het jaartal 1893, het jaar waarin de Belgische
architect Victor Horta (1861-1947) zijn ontwerp voor
het woonhuis van professor Tassel te Brussel realiseerde.
Vernieuwend aan dit bouwproject was vooral de stoutmoedige,
vrije indeling van het grondplan van het huis, dat mogelijk
was geworden door de toepassing van ijzeren constructiemethoden.
Een kleine tien jaar eerder echter, in 1884, wordt met
het aantrekken van de architect T.A.C. Colenbrander
(1841-1930) door de in 1883 opgerichte Haagse Plateelbakkerij
Rozenburg de basis gelegd voor de vernieuwingen binnen
de Nederlandse aardewerknijverheid. Colenbrander zou
gedurende een periode van vijf jaar het gezicht bepalen
van het sieraardewerk van Rozenburg dat zowel qua vorm
als versiering volstrekt nieuw was. Voor zijn modellen
greep hij terug op oosters aandoende vormen als pagode
en tulband, terwijl de decoraties waren geïnspireerd
op motieven ontleend aan de natuur die geabstraheerd,
tweedimensionaal op een witte ondergrond waren aangebracht.
(afb. 1) Hoe overdonderend zijn
kleurgebruik toen werd ervaren, illustreert het citaat
van de uitgever en kunstcriticus L. Simons die de kleuren
in 1888 als volgt karakteriseerde: '(...) [een] wild
en woest bacchanaal van opspringende en terugwijkende
tinten, die daar neergeworpen zijn op de mooiglanzende
vlakken: een groen rood, een opflitsend groen, een schaterend
geel, een stroef in zichzelf gekeerd bruin, en, tusschen
deze rustend een ernstig grijs, een vriendelijk lichtgroen,
een innig verleidelijk, kussend roomgeel (...)'.
Het is niet helemaal duidelijk hoe Colenbrander tot
deze volstrekt unieke ontwerpen kwam. Wat we weten,
is dat hij in 1867 de wereldtentoonstelling van Parijs
heeft bezocht waar hij onder meer kennis kon maken met
de op het tentoonstellingsterrein opgetrokken nationale
bouwwerken als het paleis van de Bey van Tunis, een
Indiase tempel, een minaret en een pagode. Zijn belangstelling
zal echter in het bijzonder zijn uitgegaan naar de inzending
van Japan dat toen voor het eerst met een eigen afdeling
was vertegenwoordigd. De wijze waarop hij zijn tweedimensionale
versieringen op het platte vlak aanbracht, roept in
elk geval onmiskenbare associaties op met de Japanse
prentkunst.
Hoe populair en commercieel succesvol de ontwerpen van
Colenbrander waren, blijkt uit het feit dat de vele,
rond 1900 opgerichte sieraardewerkfabriekjes zich in
eerste instantie toelegden op de imitatie van Rozenburg-keramiek.
Twee richtingen
De productie van Rozenburg en haar navolgers is exemplarisch
voor de picturale of sierende variant van de Nieuwe
Kunst. Deze richting, die we vooral in Den Haag en Delft
aantreffen, is sterk georiënteerd op de Belgische en
Franse Art Nouveau, waarin de naturalistische toepassing
van flora en fauna gepaard gaat met een sterk ontwikkelde
lijnbeweging. Deze oriëntatie op juist de Belgische
en Franse Art Nouveau is onder meer terug te voeren
op de intensieve contacten die de Haagse Kunstkring
onderhield met de kunstenaarsvereniging Les XX in Brussel,
waardoor er een wederzijdse uitwisseling van ideeën
kon plaatsvinden.
Een totaal andere verschijningsvorm waarvan binnen de
Nieuwe Kunst sprake was, is de zogeheten constructieve
of rationele richting. Hier wordt het uiterlijk van
het product bepaald door zijn gebruik en de aard van
het verwerkte materiaal, terwijl de versiering meestal
spaarzaam en ondergeschikt aan de vorm werd toegepast.
Deze richting, waarvan vooral in Amsterdam sprake was,
kwam primair voort uit de behoefte van sociaal bewogen
kunstenaars om goed ontworpen gebruiksvoorwerpen voor
grote groepen van de samenleving te ontwerpen. Aan de
basis hiervan stond de architect H.P. Berlage (1856-1934)
die geïnspireerd door negentiende-eeuwse architecten
als E.E. Viollet-le-Duc (1814-1879) en G. Semper (1803-1879)
tot zijn rationalistische opvattingen kwam.
Illustratief voor deze richting binnen het vernieuwingsaardewerk
zijn de eenvoudig versierde en functionele gebruiksvoorwerpen
die de kunstenaar C.J. van der Hoef (1875-1933) ontwierp
voor Plateelbakkerij Zuid-Holland. (afb.
2) Bij een nadere vergelijking wordt in één oogopslag
duidelijk hoezeer de sobere decoratie van vierkantjes
contrasteert met de uitbundig versierde ontwerpen van
Colenbrander
 |
 |
 |
| |
Chris Wegerif, bank van
teakhout met bekleding van gebatikte trijp voor
de eetkamer van de familie Hannema-de Stuers, Arts
and Crafts, Den Haag/ Apeldoorn, 1901, coll. gemeentemuseum
Den Haag |
 |
.Arts
and Crafts
De verspreiding van de versierende richting van de Nieuwe
Kunst is in belangrijke mate te danken aan de in 1898
geopende winkel voor binnenhuiskunst Arts and Crafts
in Den Haag. Hier waren niet alleen gebruiksvoorwerpen
te koop maar ook schilderijen en prenten, zodat de klant
zich geheel volgens de laatste mode kon inrichten. De
nadruk lag op producten die door Nederlandse ontwerpers
waren vervaardigd in een op de Belgische Art Nouveau
geïnspireerde stijl. Daarnaast was er bijvoorbeeld ook
meubilair van de Belgische architect Henry van de Velde
(1863-1957) te koop. Tot de Nederlandse ontwerpers behoorde
de schilder en sierkunstenaar Johan Thorn Prikker (1868-1932)
die goed op de hoogte was van de ontwikkelingen in België.
In 1892 had hij Brussel bezocht waar hij kennismaakte
met Van de Velde, die hem aanspoorde zich toe te gaan
leggen op de decoratieve kunst. Stijlinvloeden van diens
werk zijn onmiskenbaar in het oeuvre van Thorn Prikker
aanwezig, zoals de gekromde ruggen en poten van zijn
zitmeubels laten zien. (afb. 3)
Zijn ontwerpen werden in de werkplaatsen van Arts and
Crafts uitgevoerd onder supervisie van de architect
Chris Wegerif (1859-1920). Rond 1900 begon Wegerif ook
zelf te ontwerpen, in een stijl die het midden houdt
tussen de vloeiende lijnbeweging van de Belgische Art
Nouveau en de abstract-geometrische vormentaal van de
Weense Secession. (afb. 4)
't Binnenhuis
 |
 |
 |
| |
H.P. Berlage, eikenhouten
stoelen met leren bekleding voor de Nederlanden
van 1845, uitvoering onbekend, Den haag, 1895, coll.
gemeentemuseum Den Haag |
 |
De constructieve richting
van de Nieuwe Kunst vond zijn weg in de eerste plaats
via 't Binnenhuis. Deze winkel voor interieurkunst werd
in 1900 opgericht om tegenwicht te bieden aan de door
Arts and Crafts gepropageerde kunst, die in de ogen
van Berlage, één van de drie oprichters, volkomen abject
was. In 1898 liet Berlage zich dan ook als volgt uit
over de producten van Arts and Crafts en in het bijzonder
die van Thorn Prikker: 'met zijn meubilair, de uitstalkasten
en met de winkelpui [is] (...) die enkele stap van het
sublieme naar het ridicule (...) gedaan. Als men pretentie
heeft architectuur te willen maken, dan kan worden geëist
kennis van de meest elementaire constructiewijze, hoe
b.v. een boog moet worden samengesteld, hoe twee stukken
hout aan elkaar moeten worden gemaakt. Men moet weten
dat de poten van een stoel niet moeten worden gebogen,
zoals is geschied. (...) Voeg hierbij dat (...) aan
de meubels allerlei onnutte stukken hout in de meest
smakeloze lijncombinaties zijn aangehangen of opgezet,
dat de meubels zelf zijn van een onmogelijke vorm, geheel
doelloos, scheef, schuin, gebogen, en zo dat ze het
allerlaatst geschikt zijn voor het doel, nl. kunstvoorwerpen
goed te doen zien, d.w.z. niet de aandacht van deze
af te leiden, dan zal worden toegegeven dat wat meer
architecturale kennis, en wat meer smaak voor dit doel
niet overbodig ware; de gedachte aan den schoenmaker
komt onwillekeurig op'.
 |
 |
  |
| Willem Penaat, 'boerenstoel'van
groen geschilderd beukenhout met biezen zitting,
De Woning, Amsterdam, 1905, coll. Gemeentemuseum
den haag. |
|
 |
Met
dit citaat is in feite ook het credo van Berlage ten
aanzien van goede vormgeving gegeven. Een gebruiksvoorwerp
vond in zijn ogen alleen dan genade als de vorm voortkwam
uit de constructie en de versiering daarmee in overeenstemming
was. (afb. 5) Deze gedachte werd
in zijn werk en dat van andere met 't Binnenhuis verbonden
kunstenaars zo ver doorgevoerd dat bij veel voorwerpen
de constructieve delen middels decoratieve accenten
werden benadrukt.
Een geslaagd voorbeeld van een goed ontworpen en voor
velen bereikbaar product is de zogenaamde 'boerenstoel'
van Willem Penaat (1875-1957). Deze stoel uit 1905 is
zodanig ontworpen dat hij machinaal kon worden vervaardigd.
De stijlen en poten werden glad gedraaid, met slechts
aan de uiteinden een versieringsmotief; de sporten werden
voorzien van een drietal kralen; de rug had een holle
kap, smalle middenregel en drie stijlen, terwijl de
zitting was vervaardigd van biezen. Met en zonder leuning
vond dit basisontwerp in verschillende uitvoeringen
en in een oplage van honderden exemplaren zijn weg naar
de consument.
Tot slot
De hiervoor besproken twee richtingen van de Nieuwe
Kunst zouden de indruk kunnen wekken dat alle vernieuwende
uitingen van de Nederlandse sierkunstenaars van rond
1900 bij één van beide varianten zijn onder te brengen.
Niets is echter minder waar. Het is juist een van de
kenmerken van de Nederlandse bijdrage aan de internationale
Art Nouveau dat de Nieuwe Kunst vele en verschillende
verschijningsvormen kent. Zo wordt het werk van de sierkunstenaar
G.W. Dijsselhof (1866-1944) gekarakteriseerd door zowel
sierende als rationele principes. (Zie hiervoor de bijdrage
over de Dijsselhofkamer elders in dit nummer) Vanuit
het zoeken naar een nieuwe stijl, ontwikkelden de kunstenaars
van rond 1900 vormen en decoraties, die zowel herinneringen
oproepen aan het verleden als vooruit wijzen naar de
toekomst. Essentieel hierbij was dat de kunstenaar zich
niet beperkte tot zijn eigen discipline, maar ook experimenteerde
op hem niet vertrouwde gebieden. Het is juist deze breedheid
die zo typerend is voor de kunst van rond 1900.
Auteur: Titus M. Eliëns
Hoofd afdeling Kunstnijverheid Gemeentemuseum Den Haag
en bijzonder hoogleraar in de Geschiedenis van de Industriële
Vormgeving aan de Universiteit Leiden
|
 |