Homepage De Zilverbank zoekmachine van de Zilverbank Cachet: het tijdschrift voor liefhebbers van kunst Lezingen, excursies en cursussen Tentoonstellingen Zilverfeiten: informatie en weetjes over Zilver Zilverlinks: links naar andere websites met informatie over zilver en kunst
 
Cachet, tijdschrift voor kunstliefhebbers

divider
Heeft u vragen over zilver? Vraag het De Zilverbank!
divider
Nr 35: KONINKRIJK HOLLAND
divider

Nr 34: SCHIP AHOY!
divider

Nr 33: DUIVENVOORDE BELICHT
divider

Nr 32: STRALEND NOORDERLICHT
divider

Nr 31: DE GORDEL VAN SMARAGD
divider

Nr 30: EMAIL: DE KUNST VAN HET VERSIEREN
divider

Nr 29: KUNST UIT RUSLAND
divider

Nr 28: THEE: BRON VAN INSPIRATIE
divider

Nr 27: GERAAKT DOOR KLEUR
divider

Nr 26: PARTICULIERE COLLECTIES IN MUSEA
divider

Nr 25: ARTISTIEK DINEREN
divider

Nr 24: GLANSRIJK GEWONNEN
divider

Nr 23: HET PARFUM
divider

Nr 22: VROUWEN IN DE KUNST
divider

Nr 21: GOUD
divider

Nr 20: RIJKDOM DER ZEE
divider

Nr 19: LADING VAN DE VOC
divider
Cachet cover nr 18
Nr 18: RESTAURATIES
divider
Cachet cover nr 17
Nr 17: KUNST OP STILLEVENS
divider
Cachet cover nr 16
Nr 16: INTERIEURS
divider
Cachet cover nr 15
Nr 15: KUNST RONDOM DE AUTOMOBIEL
divider
Cachet cover nr 14
Nr 14: VOGELS
divider
Cachet cover nr 13
Nr.13: ART NOUVEAU
divider
Cachet cover nr 12
Nr.12: JAPONISME
divider

Nr. 11: SOUVENIRS
divider

Nr. 10: GEBOORTE
divider

VRAGEN OVER ZILVER
divider

Nieuwe Kunst: Nederlandse kunst rond 1900

De vernieuwingen die zich omstreeks 1900 in de Nederlandse kunstnijverheid en architectuur voordeden, vatten we tegenwoordig samen onder de term Nieuwe Kunst. De Nieuwe Kunst is een van de vele varianten van de internationale Art Nouveau, een stijlbeweging die definitief afrekende met de negentiende eeuw waarin het navolgen van historische stijlen hoogtij vierde.

Colenbrander, aardewerken kasteel, model pagode
  T.A.C. Colenbrander, aardewerken kasteel, model Pagode, Plateelbakkerij Rozenburg, den Haag, 1887, h. 44,8 cm, coll. Gem,eentemuseum Den Haag

De breuk met het verleden, die zich niet zonder betekenis afspeelde in de overgang naar een nieuwe eeuw, komt tot uiting in de namen die de nationale verschijningsvormen van de internationale Art Nouveau dragen. Zo spreekt men in Duitsland over de Jugendstil, is er in Oostenrijk sprake van de Secession, terwijl België en Frankrijk de benaming Art Nouveau kennen.

De wortels

Voor de wortels van de Nieuwe Kunst moeten we teruggaan naar de jaren zestig van de negentiende eeuw, toen er voor het eerst ondubbelzinnig sprake was van het zoeken naar een eigen, typisch Nederlandse stijl. Dit zoeken was een reactie op de met historische stijlelementen overladen, vaak naturalistische ornamentiek van de kunstnijverheid van dat moment: het historisme. In de loop van de eeuw zou de roep om een stijl, waarbij de versiering de grondvorm van het ontwerp en zijn functie respecteert, steeds vaker en luider worden gehoord. Om uit de veelheid aan historische stijlen los te komen, richtte men zich eind jaren zeventig op één bepaalde stijl, de Hollandse renaissance. De gedachte hierachter was dat het zich bezinnen op deze typisch Nederlandse stijl, uit een periode waarin ons land een grote welvaart kende, als vanzelf zou leiden tot het ontstaan van een nieuwe, eigentijdse vormgeving. Een vergelijkbare bezinning op het nationale erfgoed zien we in andere Europese landen en was medebepalend voor de uiteindelijke verschijningsvorm van de Art Nouveau-variant van betreffende natie.

Servies onderdelen , C.J. van der Hoef
C.J. van der Hoef, serviesonderdelen van aardewerk, Plateel bakkerij Zuid-Holland, Gouda, circa 1904, coll. Gemeentemuseum Den Haag  

De kunstenaars die het nieuwe gezicht van de kunstnijverheid van rond 1900 mede zouden gaan bepalen, waren veelal opgeleid aan de kunstnijverheidsscholen die rond 1880 in Haarlem en Amsterdam werden opgericht vanuit de behoefte aan een adequate beroepsopleiding voor sierkunstenaars. Hier werden zij geschoold in de verschillende disciplines van de kunstnijverheid, die zij zowel praktisch als theoretisch leerden beheersen. Centraal in het onderwijs stond de bestudering van de natuur die tot zijn grondvormen werd teruggebracht, of - om in negentiende-eeuwse termen te spreken - gestyliseerd werd. Daarnaast ging de aandacht uit naar de rationalistische principes van de vormgeving, waarin de constructieve en materiële aspecten de (beeld)bepalende elementen waren.

Het zoeken naar een eigen, nationale stijl viel niet toevallig samen met een krachtige herleving van de Nederlandse economie, die onder meer was te danken aan de uitbating van onze koloniën. De hiermee gepaard gaande handelsactiviteiten zorgden voor een snelle uitbreiding van de infrastructuur, zoals de aanleg van kanalen en spoorwegen, en maakten dat Nederland internationaal weer een rol van betekenis begon te spelen. Daarnaast werd in de jaren 1890 een aantal belastingmaatregelen genomen dat het voor de bezittende klasse aantrekkelijker maakte in industriële activiteiten te investeren. De economische bloei leidde tot een expansie van steden als Amsterdam en Den Haag, waar een maatschappelijke klasse ontstond die uitdrukking wilde geven aan haar rijkdom. Het is tegen deze achtergronden - het zoeken naar een nieuwe stijl, het ontstaan van kunstnijverheidsscholen die de eerste generatie sierkunstenaars afleverden, en de opbloei van de nationale economie met alle positieve gevolgen van dien - dat de vernieuwingsbeweging van rond 1900 verklaard kan worden.

Johan Thorn Prikker, eikenhouten stoel met bekleding van wollen trijp
Johan Thorn Prikker, eikenhouten stoel met bekleding van wollen trijp, Arts and Crafts, Den Haag, 1898, coll Gemeentemuseum Den Haag  

Het begin

Internationaal gezien geldt als het beginpunt van de Art Nouveau het jaartal 1893, het jaar waarin de Belgische architect Victor Horta (1861-1947) zijn ontwerp voor het woonhuis van professor Tassel te Brussel realiseerde. Vernieuwend aan dit bouwproject was vooral de stoutmoedige, vrije indeling van het grondplan van het huis, dat mogelijk was geworden door de toepassing van ijzeren constructiemethoden. Een kleine tien jaar eerder echter, in 1884, wordt met het aantrekken van de architect T.A.C. Colenbrander (1841-1930) door de in 1883 opgerichte Haagse Plateelbakkerij Rozenburg de basis gelegd voor de vernieuwingen binnen de Nederlandse aardewerknijverheid. Colenbrander zou gedurende een periode van vijf jaar het gezicht bepalen van het sieraardewerk van Rozenburg dat zowel qua vorm als versiering volstrekt nieuw was. Voor zijn modellen greep hij terug op oosters aandoende vormen als pagode en tulband, terwijl de decoraties waren geïnspireerd op motieven ontleend aan de natuur die geabstraheerd, tweedimensionaal op een witte ondergrond waren aangebracht. (afb. 1) Hoe overdonderend zijn kleurgebruik toen werd ervaren, illustreert het citaat van de uitgever en kunstcriticus L. Simons die de kleuren in 1888 als volgt karakteriseerde: '(...) [een] wild en woest bacchanaal van opspringende en terugwijkende tinten, die daar neergeworpen zijn op de mooiglanzende vlakken: een groen rood, een opflitsend groen, een schaterend geel, een stroef in zichzelf gekeerd bruin, en, tusschen deze rustend een ernstig grijs, een vriendelijk lichtgroen, een innig verleidelijk, kussend roomgeel (...)'.

Het is niet helemaal duidelijk hoe Colenbrander tot deze volstrekt unieke ontwerpen kwam. Wat we weten, is dat hij in 1867 de wereldtentoonstelling van Parijs heeft bezocht waar hij onder meer kennis kon maken met de op het tentoonstellingsterrein opgetrokken nationale bouwwerken als het paleis van de Bey van Tunis, een Indiase tempel, een minaret en een pagode. Zijn belangstelling zal echter in het bijzonder zijn uitgegaan naar de inzending van Japan dat toen voor het eerst met een eigen afdeling was vertegenwoordigd. De wijze waarop hij zijn tweedimensionale versieringen op het platte vlak aanbracht, roept in elk geval onmiskenbare associaties op met de Japanse prentkunst.

Hoe populair en commercieel succesvol de ontwerpen van Colenbrander waren, blijkt uit het feit dat de vele, rond 1900 opgerichte sieraardewerkfabriekjes zich in eerste instantie toelegden op de imitatie van Rozenburg-keramiek.

Twee richtingen

De productie van Rozenburg en haar navolgers is exemplarisch voor de picturale of sierende variant van de Nieuwe Kunst. Deze richting, die we vooral in Den Haag en Delft aantreffen, is sterk georiënteerd op de Belgische en Franse Art Nouveau, waarin de naturalistische toepassing van flora en fauna gepaard gaat met een sterk ontwikkelde lijnbeweging. Deze oriëntatie op juist de Belgische en Franse Art Nouveau is onder meer terug te voeren op de intensieve contacten die de Haagse Kunstkring onderhield met de kunstenaarsvereniging Les XX in Brussel, waardoor er een wederzijdse uitwisseling van ideeën kon plaatsvinden.

Een totaal andere verschijningsvorm waarvan binnen de Nieuwe Kunst sprake was, is de zogeheten constructieve of rationele richting. Hier wordt het uiterlijk van het product bepaald door zijn gebruik en de aard van het verwerkte materiaal, terwijl de versiering meestal spaarzaam en ondergeschikt aan de vorm werd toegepast. Deze richting, waarvan vooral in Amsterdam sprake was, kwam primair voort uit de behoefte van sociaal bewogen kunstenaars om goed ontworpen gebruiksvoorwerpen voor grote groepen van de samenleving te ontwerpen. Aan de basis hiervan stond de architect H.P. Berlage (1856-1934) die geïnspireerd door negentiende-eeuwse architecten als E.E. Viollet-le-Duc (1814-1879) en G. Semper (1803-1879) tot zijn rationalistische opvattingen kwam.

Illustratief voor deze richting binnen het vernieuwingsaardewerk zijn de eenvoudig versierde en functionele gebruiksvoorwerpen die de kunstenaar C.J. van der Hoef (1875-1933) ontwierp voor Plateelbakkerij Zuid-Holland. (afb. 2) Bij een nadere vergelijking wordt in één oogopslag duidelijk hoezeer de sobere decoratie van vierkantjes contrasteert met de uitbundig versierde ontwerpen van Colenbrander

Chris Wegerif, bank van teakhout
  Chris Wegerif, bank van teakhout met bekleding van gebatikte trijp voor de eetkamer van de familie Hannema-de Stuers, Arts and Crafts, Den Haag/ Apeldoorn, 1901, coll. gemeentemuseum Den Haag

.Arts and Crafts

De verspreiding van de versierende richting van de Nieuwe Kunst is in belangrijke mate te danken aan de in 1898 geopende winkel voor binnenhuiskunst Arts and Crafts in Den Haag. Hier waren niet alleen gebruiksvoorwerpen te koop maar ook schilderijen en prenten, zodat de klant zich geheel volgens de laatste mode kon inrichten. De nadruk lag op producten die door Nederlandse ontwerpers waren vervaardigd in een op de Belgische Art Nouveau geïnspireerde stijl. Daarnaast was er bijvoorbeeld ook meubilair van de Belgische architect Henry van de Velde (1863-1957) te koop. Tot de Nederlandse ontwerpers behoorde de schilder en sierkunstenaar Johan Thorn Prikker (1868-1932) die goed op de hoogte was van de ontwikkelingen in België. In 1892 had hij Brussel bezocht waar hij kennismaakte met Van de Velde, die hem aanspoorde zich toe te gaan leggen op de decoratieve kunst. Stijlinvloeden van diens werk zijn onmiskenbaar in het oeuvre van Thorn Prikker aanwezig, zoals de gekromde ruggen en poten van zijn zitmeubels laten zien. (afb. 3) Zijn ontwerpen werden in de werkplaatsen van Arts and Crafts uitgevoerd onder supervisie van de architect Chris Wegerif (1859-1920). Rond 1900 begon Wegerif ook zelf te ontwerpen, in een stijl die het midden houdt tussen de vloeiende lijnbeweging van de Belgische Art Nouveau en de abstract-geometrische vormentaal van de Weense Secession. (afb. 4)

't Binnenhuis

H.P. Berlage, eikenhouten stoelen met leren bekleding
  H.P. Berlage, eikenhouten stoelen met leren bekleding voor de Nederlanden van 1845, uitvoering onbekend, Den haag, 1895, coll. gemeentemuseum Den Haag

De constructieve richting van de Nieuwe Kunst vond zijn weg in de eerste plaats via 't Binnenhuis. Deze winkel voor interieurkunst werd in 1900 opgericht om tegenwicht te bieden aan de door Arts and Crafts gepropageerde kunst, die in de ogen van Berlage, één van de drie oprichters, volkomen abject was. In 1898 liet Berlage zich dan ook als volgt uit over de producten van Arts and Crafts en in het bijzonder die van Thorn Prikker: 'met zijn meubilair, de uitstalkasten en met de winkelpui [is] (...) die enkele stap van het sublieme naar het ridicule (...) gedaan. Als men pretentie heeft architectuur te willen maken, dan kan worden geëist kennis van de meest elementaire constructiewijze, hoe b.v. een boog moet worden samengesteld, hoe twee stukken hout aan elkaar moeten worden gemaakt. Men moet weten dat de poten van een stoel niet moeten worden gebogen, zoals is geschied. (...) Voeg hierbij dat (...) aan de meubels allerlei onnutte stukken hout in de meest smakeloze lijncombinaties zijn aangehangen of opgezet, dat de meubels zelf zijn van een onmogelijke vorm, geheel doelloos, scheef, schuin, gebogen, en zo dat ze het allerlaatst geschikt zijn voor het doel, nl. kunstvoorwerpen goed te doen zien, d.w.z. niet de aandacht van deze af te leiden, dan zal worden toegegeven dat wat meer architecturale kennis, en wat meer smaak voor dit doel niet overbodig ware; de gedachte aan den schoenmaker komt onwillekeurig op'.

Willem Penaat, 'boerenstoel'
Willem Penaat, 'boerenstoel'van groen geschilderd beukenhout met biezen zitting, De Woning, Amsterdam, 1905, coll. Gemeentemuseum den haag.  

Met dit citaat is in feite ook het credo van Berlage ten aanzien van goede vormgeving gegeven. Een gebruiksvoorwerp vond in zijn ogen alleen dan genade als de vorm voortkwam uit de constructie en de versiering daarmee in overeenstemming was. (afb. 5) Deze gedachte werd in zijn werk en dat van andere met 't Binnenhuis verbonden kunstenaars zo ver doorgevoerd dat bij veel voorwerpen de constructieve delen middels decoratieve accenten werden benadrukt.

Een geslaagd voorbeeld van een goed ontworpen en voor velen bereikbaar product is de zogenaamde 'boerenstoel' van Willem Penaat (1875-1957). Deze stoel uit 1905 is zodanig ontworpen dat hij machinaal kon worden vervaardigd. De stijlen en poten werden glad gedraaid, met slechts aan de uiteinden een versieringsmotief; de sporten werden voorzien van een drietal kralen; de rug had een holle kap, smalle middenregel en drie stijlen, terwijl de zitting was vervaardigd van biezen. Met en zonder leuning vond dit basisontwerp in verschillende uitvoeringen en in een oplage van honderden exemplaren zijn weg naar de consument.

Tot slot

De hiervoor besproken twee richtingen van de Nieuwe Kunst zouden de indruk kunnen wekken dat alle vernieuwende uitingen van de Nederlandse sierkunstenaars van rond 1900 bij één van beide varianten zijn onder te brengen. Niets is echter minder waar. Het is juist een van de kenmerken van de Nederlandse bijdrage aan de internationale Art Nouveau dat de Nieuwe Kunst vele en verschillende verschijningsvormen kent. Zo wordt het werk van de sierkunstenaar G.W. Dijsselhof (1866-1944) gekarakteriseerd door zowel sierende als rationele principes. (Zie hiervoor de bijdrage over de Dijsselhofkamer elders in dit nummer) Vanuit het zoeken naar een nieuwe stijl, ontwikkelden de kunstenaars van rond 1900 vormen en decoraties, die zowel herinneringen oproepen aan het verleden als vooruit wijzen naar de toekomst. Essentieel hierbij was dat de kunstenaar zich niet beperkte tot zijn eigen discipline, maar ook experimenteerde op hem niet vertrouwde gebieden. Het is juist deze breedheid die zo typerend is voor de kunst van rond 1900.

Auteur: Titus M. Eliëns

Hoofd afdeling Kunstnijverheid Gemeentemuseum Den Haag en bijzonder hoogleraar in de Geschiedenis van de Industriële Vormgeving aan de Universiteit Leiden