|
|
 |
 |
 |
 |
Serviesgoed
zo teer en kostbaar, daar was men zuinig op!
Baanbrekend en breekbaar
Het eierschaalporselein van Rozenburg
Een van de meest uitgesproken
voortbrengselen van Art Nouveau in Nederland is het ragfijne
eierschaalporselein dat in 1900 op de markt werd gebracht
door de Haagse plateelfabriek Rozenburg.
Dit product sloot aan bij de zwierige variant van
de Art Nouveau uit België en Frankrijk, herkenbaar aan
de vormen met golvende omtreklijnen en de sierlijke decors
met naturalistische motieven. In 1895, hetzelfde jaar
waarin de kunsthandelaar Siegfried Bing in Parijs zijn
Salon de l'Art Nouveau opende, werd de architect J. Jurriaan
Kok (1861-1919) algemeen directeur van Rozenburg, waar
tot dan toe uitsluitend sieraardewerk was gemaakt. Deze
wilde met dunwandig porselein een nieuw en eigentijds
product ontwikkelen, dat niet alleen in Nederland maar
ook daarbuiten in de smaak zou vallen.
Het zou enkele jaren duren voordat bij Rozenburg
tot de productie van het eierschaalporselein kon worden
overgegaan. Er moesten bijvoorbeeld nieuwe ovens voor
worden gebouwd, die tot een hitte van 1700 graden Celsius
konden stoken. Daarnaast duurde het even voor men de juiste
samenstelling had gevonden van een soepele kleimassa,
die gemakkelijk was te bewerken en de sierlijke vormen
kon aannemen die Jurriaan Kok voor ogen stonden. Pas in
het jaar 1899 kon men spreken van een gelijkmatige productie.
Nadat het eierschaalporslein eerst was gepresenteerd aan
de Nederlandse pers en Jurriaan Kok aan koningin Wilhelmina
enkele stukken cadeau had gedaan, werd het voor het eerst
in de verkoop gebracht op de wereldtentoonstelling die
in 1900 te Parijs werd gehouden.
De voor een deel asymmetrische modellen van het
Rozenburgse porselein, die waarschijnlijk door Kok zelf
zijn ontworpen, baarden veel opzien. Zij bezitten uiterst
dunne wanden en zijn afgeleid van Aziatische voorbeelden
of samengesteld uit licht gebogen vlakken, waarvan de
randen met een scherp gepunte hoek aan elkaar sluiten.
Opvallend zijn de sierlijke handvatten, hengsels en dekselknoppen,
die een belangrijke decoratieve functie vervullen. Een
groot deel van het assortiment was alleen bedoeld om te
pronk te staan, maar er waren ook voorwerpen die gebruikt
konden worden, zoals kandelaars, inktpotten en serviesgoed.
De tere vormen van het eierschaalporselein werden
beschilderd met verfijnde versieringen, waarvoor in veel
gevallen Japanse prenten en soms Franse ornamentboeken
model stonden. Vogels en bloemen werden zonder schaduwwerking
in schitterende kleuren geschilderd op de ondergrond van
wit porselein. De meeste decors zijn asymmetrisch en lijken
- als in de natuur - vrij te lopen over de gehele vorm.
Ze werden uitgevoerd door vaardige schilders onder leiding
van de chef van de schilderzaal D.P.J. de Ruiter (1872-1947).
Meesterschilders tekenden iedere versiering direct met
potlood op de voorgebakken porseleinen vorm, waarna andere
schilders (en enkele schilderessen) de omtreklijnen overtrokken
in bruin en zwart en de kleuren invulden. Onder de meesterschilders
bij Rozenburg die ook ontwerpen maakten valt Samuel Schellink
(1876-1958) op als degene met de meeste fantasie en oorspronkelijkheid.
Hij was bijvoorbeeld de ontwerper van het schitterende
decor met paarse seringen en een spin in het web.
Het eierschaalporselein bezorgde Rozenburg inderdaad
het internationale succes, waarop Jurriaan Kok had gehoopt.
Op de wereldtentoonstelling te Parijs werd de fabriek
op slag wereldberoemd. Het nieuwe porselein kreeg lovende
kritieken, was al snel vrijwel uitverkocht en zorgde voor
lange lijsten met bestellingen. Onder de klanten bevonden
zich niet alleen particulieren, maar ook musea, kunstnijverheidsscholen
en keramiekfabrieken uit velerlei landen. Op 31 oktober
1900 werd dit succes nog eens bekroond door koningin Wilhelmina
die toestemming verleende voor de naamsverandering van
de fabriek in 'Koninklijke Porselein- en Aardewerkfabriek
"Rozenburg"'. De koninklijke familie zou in de daaropvolgende
jaren regelmatig in de orderboeken vermeld staan. Koningin-moeder
Emma maakte bijvoorbeeld gebruik van een koffieservies
van eierschaalporselein, waarvoor zij herhaaldelijk aanvullingen
nodig had. Het porselein bleef tot de sluiting van de
fabriek in 1914 een belangrijk onderdeel van de productie
van Rozenburg.
Het Haagse eierschaalporselein is altijd behoorlijk
prijzig geweest, al was het alleen maar omdat in de regel
slechts de helft van de modellen goed uit de oven kwam.
Om het financiële risico voor de fabriek nog enigszins
te beperken moesten de schilders betalen voor wat ze braken!
De hoge prijs van het Rozenburgse porselein is waarschijnlijk
wel een reden waarom er, ondanks het broze uiterlijk,
nog zoveel van bewaard is gebleven. Onder particulieren
vond het vooral een weg naar de welgestelde huishoudens,
waar men er zuinig op was. Zo was het gebruikelijk dat
mevrouw het serviesgoed van Rozenburgporselein zelf omwaste,
om te voorkomen dat de dienstbode brokken zou maken.
Christien Smits
Literatuur: - T. Martin,
"Het eierschaal porselein van de Haagse Koninklijke Porselein-
en Aardewerkfabriek 'Rozenburg' (1899-1914)", Mededelingenblad
Nederlandse Vereniging van Vrienden van de Ceramiek, nr.
96 (1979/4), pp. 3 –61 - Rozenburg 1883-1917. Geschiedenis
van een Haagse Fabriek, catalogus bij de tentoonstelling
gehouden in 1983 in het Haags Gemeentemuseum |
 |
 |
 |
 |
|