 |
Inheemse batiks verdrongen
de Japanse rolschilderingen.
Buiten in de Dijsselhofkamer
Spiegelende grachten, hollende
dienstmeiden en spelende kinderen. Het Amsterdamse stadsleven
van rond 1895 is nog altijd voelbaar in de doeken van
George Breitner, Isaac Israëls en Willem Witsen. Terwijl
zij hun blik op het straatbeeld richtten, bond hun vriend,
de kunstenaar Gerrit Willem Dijsselhof (1866-1924), de
strijd aan met de donkere en zwaar gestoffeerde interieurs
die achter de gesloten Amsterdamse gevels verscholen gingen.
Dijsselhof schiep een uniek
vertrek, dat in 1931
door het Gemeentemuseum Den Haag werd verworven en door
de toenmalige directeur H.E. van Gelder zelfs ‘de apotheose
der jongere Nederlandsche kunstnijverheid' werd genoemd.
Een stijlkamer als een verkwikkende boswandeling.
Ooit kleurde het diepste indigo de blauwe regen.
Het groen van de acacia was van een frisheid die de pelikanen
zichtbaar hongerig maakte. De goudfazant koesterde zich
in zijn nog warme, cachou-bruine veren. Al even sierlijk
bogen overvolle varens en de ruisende takken van de treurwilg
zich naar de grond. Nu, ruim honderd jaar later, heeft
die gestileerde natuur misschien niet meer de frisheid
van een vroege zomerdag in mei. Het gebladerte is verbleekt,
de verenpracht getaand. Maar niet de stilte, niet de rust
die deze roerloze wereld uitstraalt. Zelfs nu nog imponeren
het experiment en de vernieuwingsdrang van weleer.
'Kijk om je heen', had de jonge Dijsselhof tijdens
zijn academietijd al geroepen, ‘en zie hoe alles zielloos
is'. Toen hij in 1895 werd benaderd door de Amsterdamse
huidarts Willem van Hoorn om diens salon aan de Nieuwezijds
Voorburgwal in te richten, pakte de kunstenaar de opdracht
dan ook met beide handen aan. Jarenlang zou hij werken
aan dit vertrek, dat een stilzwijgend protest werd tegen
de stijlloze eeuw waarin hij was opgegroeid. Een aanval
tegen valse illusies en schone schijn. Een ode aan het
ambacht, dat onder de rook van walmende fabrieksschoorstenen
verloren dreigde te gaan. Een eerbetoon aan de noest werkende
middeleeuwer, aan de serene kunst van de Japanner en aan
de natuur als de enige, ware leermeester.
Eerder al had Dijsselhof gezocht
naar een alternatief voor de barokke behangsels en de
zware damasten wandbespanningen van zijn tijd. Gefascineerd
door Japanse rolschilderingen begon hij aanvankelijk grote
decoratieve panelen te aquarelleren. Maar al gauw ontdekte
hij de charme van inheemse batiks, die het Etnografisch
Museum in Amsterdam indertijd tentoonstelde. Het bewerken
van grote lappen katoen met vloeibare was en het zoeken
naar eerlijke, natuurlijke verfstoffen zouden de nodige
inspanningen van hem vergen. Dat de heldere pigmenten
van indigo, cachou en meekrap met het verstrijken van
de tijd hun intensiteit verloren, kon de pionier toen
nog niet bevroeden.
Vijf centrale panelen batikte Dijsselhof voor Van
Hoorn. Vrijwel vlakke arrangementen werden het, gecomponeerd
met motieven uit flora en fauna. Deze taferelen met wadende
flamingo's, hongerige pelikanen, grazende reeën en een
rustende marabou omlijstte hij met randen waarin vogels,
vissen en klimranken in een strenge orde zijn gevangen.
De inspiratie voor zijn wereld vond de kunstenaar vooral
in de dierentuin van Artis. Het langgerekte paneel waarin
een pauw zijn veren ontvouwt, verraadt tegelijkertijd
een diepe bewondering voor het werk van de Engelse kunstnijveraars
Walter Crane en William Morris. Om de losse batiks tot
één geheel te smeden, werden de vakken ingeklemd tussen
houten panelen die met snijwerk zijn versierd. Ook de
ahornhouten lambrisering en de deuren werden met de guts
bewerkt. Een bijzonder effect bereikte Dijsselhof door
delen van het hout eerst zwart te beitsen voordat de decoraties
werden uitgestoken. Hiermee creëerde hij een levendig
spel van licht en donker.
De natuur bleef niet louter voorbehouden aan de
wanden van de kamer. In de meubels die Dijsselhof in de
loop der jaren voor het vertrek ontwierp, duiken eveneens
florale en dierlijke motieven op. Spartelende vissen en
slapende uilen, kruisbloemen en dierenhoefjes. Nooit overdadig
of weelderig, maar eerder bescheiden en subtiel verlevendigen
ze de eerlijke constructie van stoelen en tafels. Hoe
schatplichtig Dijsselhof was aan zijn vroegere leermeester,
de architect P.J.H. Cuypers, bewijst de zitnis met bijbehorende
baldakijnstoel. Massief, gesloten en gedecoreerd met flamboyant
houtsnijwerk grijpt het wandmeubel terug naar de ambachtelijke
vormen van de gotiek. ‘In handwerk', zo zou Dijsselhof
zijn levenlang bepleiten, ‘schuilt de ziel van onzen medenmensch'.
Yvonne Brentjens
Kunsthistorica Yvonne Brentjens werkt momenteel aan een
monografie over Gerrit Willem Dijsselhof, die zal verschijnen
bij de overzichtstentoonstelling van Dijsselhofs werk
in het Gemeentemuseum Den Haag in 2002. |
 |