 |
Japonisme in zilver en juwelen
Voor de edelsmeden in Europa en Amerika
ging er een wereld vol inspiratie open bij het zien
van de Japanse decoraties. De door de Japanse kunstenaars
gebruikte technieken, die van een hoogstaand niveau
waren, werden alom geïmiteerd.
 |
 |
 |
| |
Waterkan Philippe Wolfers,
ca. 1885, part. collectie |
 |
Philippe Wolfers (1858-1929), de
Brusselse kunstenaar die in 1956 door Tschudi Madsen
in zijn boek Sources of Art Nouveau de Belgische Lalique
werd genoemd, kwam op zeventienjarige leeftijd in het
bedrijf van zijn vader Louis (1820-1892). De firma Wolfers
leverde voornamelijk zilveren voorwerpen in diverse
neostijlen aan de grote Europese juweliers van die tijd.
De belangrijkste taak van de jonge
Philippe was aanvankelijk het werven van opdrachten.
Tijdens de vaak lange treinreizen door Europa tekende
hij zijn eerste eigen ontwerpen, het resultaat van een
onderzoekende geest en een drang naar vernieuwing als
reactie op de conventies en tradities van de negentiende
eeuw.Hij liet zijn ontwerpen blijkbaar ook aan klanten
zien en terwijl Lalique toen nog met zijn opleiding
moest beginnen werd het talent van Wolfers reeds voorspeld.
Tijdens een diner op 1 januari
1900 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van
de firma Wolfers memoreerde de Keulse juwelier Joseph
Goldschmidt, die als klant, collega, oud-leerling en
vriend aanzat, in zijn toespraak: 'Heute sind 25 Jahren
verflossen, als Herr Philippe Wolfers, als vertreter
der Firma Louis Wolfers, seinen ersten geschaftlichen
Besuch in unserm Hause machte, und ist es mir noch sehr
gut in der Erinnerung, wie er mit einem kleinen Kastchen,
etwa 6 verschiedene Muster von Eislöffeln enthaltend,
seine ersten Offerten machte. Meine verstorbene Mutter,
die damals in dem Coblenzer Geschafte tatig war, erkannte
sofort in dem Jüngling den werdenden Künstler, und ausserte
sich: "Aus dem werd noch einmal ein tüchtiger Künstler
werden!"' De oude mevrouw Goldschmidt kwam tot deze
uitspraak omdat de modellen van de ijslepels waren uitgevoerd
in een volstrekt nieuwe, Japanse stijl.
 |
 |
  |
| Ontwerpschets theepot 'Bambou',
Philippe Wolfers |
|
 |
Bamboe
op een theepot
Sinds het - opnieuw - aanknopen van handelsbetrekkingen
tussen Japan en het Westen in 1854 kwamen grote hoeveelheden
Japanse kunst- en gebruiksvoorwerpen naar Europa en
Amerika, waar ze enorme indruk maakten. Op de Wereldtentoonstelling
van 1873 in Wenen waren voor het eerst veel Japanse
voorwerpen te zien. Philippe Wolfers en zijn vader bezochten
deze tentoonstelling en het was hier dat Philippe gefascineerd
raakte door de vormgeving, decoratie en versieringstechnieken
van de Japanners. Dit leidde tot een Japanse lijn in
zijn oeuvre, die tot in de jaren negentig van de negentiende
eeuw merkbaar zou blijven.
 |
 |
 |
| |
Theepot 'Bambou', Philippe
Wolfers, coll. Museum voor Sierkunst, Gent |
 |
Nog in 1899 liet hij bij zijn door Paul Hankar gebouwde
huis in Terhulpen een indrukwekkende Japanse tuin aanleggen.
Bovendien was hij geabonneerd op het bekende tijdschrift
l'Art Japonais, dat de Japanse kunst en kunstnijverheid
een brede bekendheid gaf. Het Japonisme bij Wolfers
is vooral zichtbaar in een bewaard gebleven theeservies
en een waterkan met bamboemotief. Zowel de vorm van
de theepot als die van de waterkan is direct overgenomen
van een origineel Japans voorbeeld. Hierin is Wolfers
te vergelijken met de Nederlander Jan Eisenloeffel (1876-1957),
bij wie het Japonisme nog omstreeks 1900 merkbaar was.
Een aantal van zijn theepotten zijn vrijwel
exacte kopieën van een Japanse sakéketel, inclusief
het verzonken deksel, de tuit die precies tot de rand
van de pot komt en het hengsel van gevlochten riet.
Ook van hem is bekend dat hij Japanse tijdschriften
las en Japanse blokboekjes bezat, waarin de door de
Japanners gebruikte ornamenten waren afgebeeld.
Edel en onedel gaan samen
 |
 |
  |
| Melkkan Christofle, 1889,
coll. Museé des Arts Décoratifs, Parijs
|
|
 |
De Parijse zilversmid Christofle, die
ook de tentoonstelling in Wenen bezocht en van wie u
hier een melkkan ziet afgebeeld, liet zich niet alleen
inspireren door de Japanse bloemdecoraties maar ook
door de technieken van de Japanners, die van een opmerkelijke
kwaliteit waren.
De Japanse kunstenaars gebruikten bijvoorbeeld
ijzer en koper dat werd ingelegd met goud en zilver.
Ook de Amerikaanse juweliers Tiffany en Gorham hebben
een Japanse lijn gevoerd. Zij behoorden tot de weinige
firma's die edele en onedele metalen combineerden, de
waarborgwet liet dat in andere landen vaak niet toe.
Van zowel Gorham als Tiffany is bekend dat zij vanaf
1877 Japanse zwaardsmeden, die zonder werk in eigen
land zaten, in dienst hadden. De 'Japangekte' ging de
hele wereld rond. In Engeland had Liberty in Regent
Street zijn East India House, waar onder meer Japans
zilver werd verkocht door Engelse verkoopsters in kimono's.De
firma had ook Japanse jongens in dienst. De belangrijke
Engelse ontwerper Christopher Dresser (1834-1904) bezocht
Japan in 1876-77 gedurende drie maanden en schreef onder
andere Japan, its Architecture, Art and Art Manufactures.
Hij ontwierp voor de Engelse zilverfirma's F. Elkington
& Co in Birmingham, J.W. Hutkin & J.T. Heath in Londen,
James Dixon & Sons in Sheffield, maar ook buiten Engeland
was er vraag naar zijn ontwerpen.
 |
 |
 |
| |
Theebus, Cornelis Begeer,
1895. Part. collectie |
 |
De Nederlandse zilversmeden lieten
zich nauwelijks aansteken door deze rage. Door de overvloed
van oosterse gebruiksvoorwerpen in ons land, verscheept
door de VOC-schepen, waren ze er misschien al mee vertrouwd?
Cornelis Begeer (1883-1948) maakte tijdens een studiereis
in 1893 door Amerika waar hij Gorham en Tiffany's bezocht,
voor het eerst kennis met de Japoniserende stijl.
Na zijn terugkeer maakte hij in 1895
de afgebeelde theebus. Opvallend is de asymmetrie van
de bloemafbeelding. De firma J.M. van Kempen & Zn te
Voorschoten vervaardigde een kleine serie tafelzilver,
waaronder het afgebeelde waaiervormige etui met ijs-lepels
en ijsschep uit 1867. Mogelijk heeft de Japansche Winkel
van Dirk Boer in Den Haag invloed op het ontstaan van
deze serie gehad. De zilveren ijsset heeft een Japans
geïnspireerde decoratie met vogels op takken met vergulde
bloemen, en ook de heften doen Japans aan. De Japanse
kunst kreeg in de tweede helft van de negentiende eeuw
steeds meer bewonderaars.
 |
 |
  |
| Waaiervormig etui met ijsset.
1887, coll. Van Kempen en Begeer, Zoetermeer |
|
 |
De invloed op de westerse kunst ging
bijzonder ver en kwam tot uiting in een terugkeer naar
de gewelfde vorm, respect voor de vorm in het algemeen
en de symbolische betekenis van het ornament, gecombineerd
met zeer verfijnde versieringstechnieken, zoals het
email-cloisonné, bepaald ciseleerwerk en het naast elkaar
gebruiken van verschil-lende metalen. Het Japonisme
kan dan ook worden beschouwd als een bevrijding van
de negentiende-eeuwse conventies en tradities en dus
als een radicale breuk met het verleden. De Japanse
kunst zou één van de belangrijkste bronnen worden van
de latere art nouveau.
Slechts
haarkammen en -naalden
In juwelen was het Japonisme in eerste instantie minder
duidelijk merkbaar en dat heeft alles te maken met het
feit dat Japan van oudsher totaal geen juwelen en dus
ook geen juweliers en goudsmeden kende. De Japanse vrouw
droeg traditioneel slechts haarkammen en haarnaalden
van hout, ivoor, hoorn of schildpad met een versiering
van email, lak en parelmoer.
 |
 |
 |
| |
Haarkammen, diverse materialen,
Japan 19de eeuw |
 |
Maar die kammen waren wel zo belangrijk
dat zelfs de beroemde kunstenaar Katsushika Hokusai
(1760-1849) twee boeken met ontwerpen ervoor uitgaf.
Wat Japan wel kende waren de smeden die de wapenuitrustingen
voor de samoeraikrijgers vervaardigden. De versieringen
hiervoor bestonden uit een combinatie van zilver en
koper (shibuichi) of goud en koper (shakudo), die in
beide gevallen nog door middel van zuren werden voorzien
van verschillende kleuren. Maar toen in 1877 de shogun
dit elitecorps afschafte en de regering het dragen van
zwaarden verbood, waren de bewuste smeden brodeloos.
Om toch in hun onderhoud te kunnen voorzien, begonnen
zij kleine plaatjes te vervaardigen in deze traditionele
technieken, die werden geëxporteerd naar het Westen,
waar ze in Amerika en Europa in sieraden werden verwerkt.
Het hier afgebeelde Engelse medaillon van omstreeks
1885 is daarvan een voorbeeld.
 |
 |
  |
| Tsuba shakudo. Japan 19de
eeuw, part.collectie |
|
 |
De samoeraikrijgers zelf waren dikwijls
om financiële redenen genoodzaakt hun wapenuitrusting
te verkopen en de klings of tsuba's van hun zwaarden
zijn tegenwoordig geliefde verzamelobjecten. Inmiddels
werd de wisselwerking tussen Japan en het Westen steeds
groter. In Japan ontstonden de eerste juweliers die
'Japanse' juwelen vervaardigden voor de westerse markt
en tijdens de Wereldtentoonstelling van 1884 in Chicago
waren er zelfs al twintig Japanse juweliers vertegenwoordigd
met dergelijke sieraden. Ook op andere gebieden werd
de invloed naar beide kanten merkbaar. In Europa droeg
men kimono-achtige jurken en schilderde Breitner zijn
Meisje in rode kimono, terwijl uit Japan prenten bekend
zijn van vrouwen in westerse crinolines.
Email-cloisonné
De mooiste
voorbeelden van Japonisme in Europese juwelen zijn de
ontwerpen van de Parijse goudsmid Lucien Falize (1838-1897),
die zich vrijwel zijn gehele leven toelegde op de techniek
van het email-cloisonné. Bij deze emailsoort wordt een
draadmotief aangebracht op een metalen ondergrond en
hierin wordt het email aangebracht.
Zijn vader
Alexis (1811-1898) was oorspronkelijk met de techniek
gestart, maar richtte zich in de eerste plaats op technische
perfectie, terwijl Lucien zich concentreerde op het
ontwerp en een nieuwe frisse kijk had op de natuur als
inspiratiebron. Zijn eerste kennismaking met Japanse
kunst was tijdens de Wereldtentoonstelling van 1862
in Londen. Een geplande reis naar Japan werd echter
door zijn ouders verboden. Deze reis had Lucien willen
maken om kunst en voorwerpen te bestuderen, maar ook
om een Japanse emailleur te vinden, die hem zou kunnen
helpen bij de uitvoering van het email-cloisonné. Uiteindelijk
vond hij in Parijs de emailleur Antoine Tard met wie
hij de rest van zijn leven zou samenwerken en die grotendeels
verantwoordelijk werd voor de uitvoering van zijn emails.
De juwelen van Lucien Falize doen soms denken aan kleine
Japanse prentjes, waarvan de grote voorbeelden sinds
ongeveer 1860 via Parijs over Europa werden verspreid.
Meestal zijn de sieraden aan beide zijden voorzien van
een geëmailleerde voorstelling van bloemen of vogels
en tegenwoordig zijn de ontwerpen van Falize relatief
zeldzaam en dus vrij kostbaar.
 |
 |
 |
| |
Hanger, goud en email, Alexis
Falize. Parijs ca. 1880, coll. Vredevoogd Amsterdam |
 |
Een hanger zoals op de afbeelding,
met een diameter van slechts drie centimeter, haalt
op een grote internationale veiling op dit moment al
gauw een prijs van zo'n twintigduizend gulden.
Cartier
en het japonisme
Het Japonisme wordt over het algemeen
beschouwd als een negentiende-eeuwse stroming in de
kunstgeschiedenis en als een van de aanleidingen tot
het ontstaan van de art nouveau. Toch is er ook nog
in de eerste decennia van de twintigste eeuw een grote
oriëntaalse invloed merkbaar geweest, voornamelijk veroorzaakt
door een groot aantal oosterse tentoonstellingen in
Europa.
Met name het juweliershuis Cartier
in Parijs heeft in die tijd ontwerpen geleverd die tot
het Japonisme kunnen worden gerekend. Zo werd in 1907
een broche ontworpen in de vorm van een typisch Japanse
strik. Het juweel werd meerdere keren uitgevoerd in
platina en goud en bezet met diamantjes en robijntjes.
De strikvorm is in feite afgeleid van een Japanse papieren
knoop, die volgens de traditie niet erg gemakkelijk
kan worden geopend, waardoor hij van oudsher symbool
was van liefde en huwelijk. Wellicht werden deze juwelen
dan ook door Cartier verkocht als huwelijksgeschenken.
 |
 |
  |
| Broche, Cartier 1910, coll.
Cartier, Genève |
|
 |
Cartier vervaardigde
naast juwelen ook luxe-objecten en hiertoe kan men het
bonsai-achtige voorwerp in de vorm van een tak appelbloesem
rekenen. Niet alleen het gouden en geëmailleerde takje
zelf, ook het tafeltje waarop het is bevestigd en de
glazen stolp zijn door Japan geïnspireerd.
Het object
dateert eveneens van 1907, maar werd in de jaren twintig
opnieuw in productie genomen en door Cartier verkocht
als 'Pommier Japonais'. Dat men ook in Japan zelf in
deze stijl geïnteresseerd was blijkt wel uit het feit
dat het afgebeelde exemplaar in 1907 werd verkocht aan
de Japanse zusters Yznaga, die trouwens grotendeels
in Parijs en Londen leefden, en van wie de laatstlevende
het voorwerp in 1949 schonk aan het Musée des Arts Décoratifs
te Parijs.
 |
 |
 |
| |
Object Pommier Japonaise,
diverse materialen. Cartier, Parijs ca.1920, coll.
Cartier, Genève |
 |
Een
tempelpoort als klok
Tenslotte vervaardigde Cartier in
1923 een zogenaamde 'pendule mysterieuse' in de vorm
van een Japanse Shintoschrijn-poort. Het voorwerp werd
uitgevoerd in goud, email, koraal en bergkristal en
het mysterie bestaat hierin dat in eerste instantie
niet is te zien hoe de overbrenging van het uurwerk
naar de wijzers plaatsvindt. De klok is er een uit een
serie van zes, die werden vervaardigd tussen 1923 en
1925 en die zich tegenwoordig alle zes weer bevinden
in de historische collectie van Cartier in Genève. Bovenop
de Japanse poort zit een bergkris-tallen figuurtje dat
enigszins doet denken aan een Chinese Boedha, maar door
Cartier werd beschreven als 'Billeken, the Anglo-Saxon
God of happiness'.
Dit moet echter zijn verzonnen, want
een dergelijke god komt in de Anglo-saksische en Noorse
geschiedenis helemaa niet voor. Waarschijnlijk is het
figuurtje, dat verigens als antiek object door Cartier
werd aangekocht, geïnspireerd door Hotei, de Japanse
dikbuikige geluksgod.
 |
 |
  |
| 'Pendule mysterieuse', diverse
materialen, 1922 coll. Cartier, Genève |
|
 |
Een vergelijkbare figuur is te vinden
in de Tsutenkaku, een soort Eiffeltoren in het centrum
van Osaka, die in 1943 door brand werd verwoest, maar
in 1980 werd herbouwd. Deze figuur wordt 'Piriken' of
'Piliken' genoemd. Hij heeft een offerdoos voor zijn
voeten, en wie daar geld ingooit mag een wens doen die
altijd uitkomt. In 1926 kwam de Parijse juwelier Van
Cleef & Arpels et een vergelijkbare Japanse tempelpoort
als klok op de markt, maar Cartier is met deze late
vorm van Japonisme toch wel het meest beroemd geworden.
Dergelijke klokken zijn tegenwoordig uiterst zeldzaam
en vrijwel onbetaalbaar. Het afgebeelde exemplaar werd
een aantal jaren geleden tijdens een veiling van Sotheby's
in Genève voor ruim twee miljoen gulden door Cartier
teruggekocht.
Auteurs: Klaas Martijn Akkerman & Mickey
de Rooij met dank aan Annelies Krekel-Aalberse
literatuur:
- Sigrid Barten, René Lalique 1890-1910, Munchen, 1977
- Siegfried Wichmann, Japonism, the Japanese influence
on Western art since 1858, Londen 1981 - A. Krekel-Aalberse,
Modern Zilver 1880-1940, Amsterdam, 1989
- J.R. de Lorm en K.M. Akkerman, Imitatie en Inspiratie,
Amsterdam, 1992
- A. Krekel-Aalberse en E. Raassen-Kruimel, Jan Eisenloeffel,
1876-1957, Zwolle/Laren/Assen, 1996
- Wim Nys, Van Belle Epoque tot Art Nouveau, Antwerpen,
1998
|
 |