|
Wat heb je voor me meegebracht?
Een juweel als souvenir!
Souvenirwinkels staan vaak vol nare prullen. Daarmee willen we onze herinnering aan een mooie reis niet bederven. Zo dachten veel reizigers uit voorbije eeuwen er ook over. Parels en goud, mozaïek en cameeën, dát waren
zaken waarmee een reiziger zich bij de thuisblijvers geliefd kon maken.
In het boek 'Ik kan huishouden' van
omstreeks 1910 wordt de huisvrouw reeds gewaarschuwd
voor 'snorrepijperij'. Volgens het hoofdstuk 'Het overtolligste
wat er bestaat' diende men zich zo snel mogelijk te
verlossen van 'De goedkoope, akelige bustes van gips,
die wit, licht gebronsd of kleurig geverfd zijn en waarmee
de Italianen venten... Of het nu bustes van den keizer
of lieve kinderkopjes of ideale vrouwspersonen zijn,
het is alles hetzelfde en zulke prullen moet men niet
dulden... Ze toonen weinig kunstgevoel en hetzelfde
geldt van de kleine voorwerpen, die men snuisterijen
noemt'.
 |
 |
  |
| Broche: zilver,agaat,parelmoer,
Schotland ca. 1860 |
|
 |
Het
juweel
Eén snuisterij viel echter buiten deze regel:
het juweel. Want ook juwelen konden heel goed als reisherinnering
dienen en in de vakliteratuur worden deze dan ook van
oudsher beschreven als 'souvenir-sieraden'. Vooral in
het vroeg-Victoriaanse Engeland ontstond hiervoor een
bijzondere interesse.Als een reactie op de Industriële
Revolutie, waarin zo weinig romantiek en artistieke
schoonheid viel te bespeuren, groeide de hang naar het
verleden. Beroemde historische romans, zoals die van
Sir Walter Scott, hadden met name invloed op kleding
en sieraden. Koning George IV maakte reeds in 1822 een
staatsbezoek aan Schotland en door zijn verschijning
in Schots kostuum ontstond een ware rage voor de sieraden
die bij deze dracht behoorden. Die vraag nam nog toe
nadat koningin Victoria in 1848 haar geliefde Balmoral
Castle aankocht.
Groeiend toerisme Schotland
Vanaf dat moment werd Schotland een favoriet oord voor het groeiende toerisme. De kinderen van de koningin droegen tartans en haar gasten voor het bal ter gelegenheid van de opening van de Wereldtentoonstelling in 1851 werden verzocht zich in Schots kostuum te kleden. De Engelse society raakte steeds meer opgewonden over de hoge grijze kasteelmuren, de subtiele kleuren van mos en hei en de heraldiek van de Schotse clans.
Een sfeer die door de sieraden perfect
werd uitgedragen. Wat betreft vorm - dikwijls direct
afgeleid van de traditionele voorbeelden en meestal
uitgevoerd in zilver - minder vaak in goud. Bovendien
bezet met parels of parelmoer uit de Schotse rivieren
en verschillende kleuren agaat uit de Hooglanden. De
interesse voor dergelijke reissouvenirs bereikte omstreeks
1860 zelfs Frankrijk. Een veel voorkomend motief als
broche was de cirkel met gesp, dat werd ontleend aan
het ordeteken van de Kouseband, de orde waarvan Victoria
in 1842 als hoofd was aangesteld. Maar ook de Schotse
distel en het jachtmes werden in deze sieraden verwerkt.
 |
 |
 |
| |
Drie objecten, glasmozaïek,
toegeschreven Giacomo Raffaelli |
 |
Antiek
mozaïek
Italië is het land bij uitstek geworden voor souvenirsieraden,
maar ook hierbij speelde in eerste instantie de Engelse
society een belangrijke rol. Reeds vanaf het eind van
de zeventiende eeuw kende men het verschijnsel van de
'Grand Tour', waarbij gefortuneerde jongelui als afronding
van hun educatie naar Italië werden gestuurd om
opgravingen en historische plaatsen te bezoeken. En
wat lag méér voor de hand dan een sieraad
mee terug te nemen als persoonlijk aandenken of geschenk
voor een thuis wachtende geliefde.
In de eerste plaats waren dat natuurlijk cameeën,
die van oudsher zo typisch Italiaans zijn, en vooral
wanneer ze vervaardigd waren van lava en nadat men een
bezoek had gebracht aan Pompeï en Herculaneum,
die tussen 1738 en 1756 waren opgegraven.
Glasmozaïek
Rome had een eigen specialiteit: het glasmozaïek.
Al in 1576 werd in het Vaticaan een mozaïekatelier
opgericht, voornamelijk om versieringen voor de Sint
Pieter te vervaardigen. In de loop van de achttiende
eeuw werd de techniek sterk verbeterd door gekleurd
glas te verwerken tot lange strips, de 'smalti filati',
die op hun beurt werden uitgerekt, waardoor een oneindige
reeks van kleurschakeringen werd verkregen.
Vervolgens werden deze draden in
stukjes geknipt, de 'tesserae', die soms zo klein waren
dat er wel 1400 tesserae op 6,5 vierkante centimeter
konden worden aangebracht. Dankzij de bewondering van
de toeristen voor de antieke mozaïeken werd de
vraag naar kleine afmetingen steeds groter en doordat
het materiaal goedkoop was werd het mozaïek uit
Rome als souvenir bijzonder populair.
Vogeltje
De achttiende eeuwse verbetering van mozaïek wordt
toegeschreven aan Giacomo Raffaelli, die zijn werk al
in 1775 exposeerde. Van hem is het gesigneerde en in
1785 gedateerde vogeltje. Overigens is dit mozaïek
wel in een gouden entourage gezet, maar het is geen
draagsieraad. Dikwijls werden de stukjes mozaïek
pas in het thuisland tot juweel verwerkt.
Een van de meest gekopieerde en best bekende antieke mozaïeken was dat van de Capitolaanse duiven, dat door Plinius de Oude reeds werd beschreven De duiven zitten op een waterschaal, waaruit één drinkt, terwijl de andere twee hun veren strijken. Met groot succes verwerkte Raffaeli dit motief aan het begin van de negentiende eeuw.
Omstreeks 1820 werden er vooral de
door de toeristen bezochte beroemde gebouwen en ruïnes
geliefde onderwerpen voor het mozaïek, zoals het
Capitool en het Sint Pietersplein. Soms werden met de
verschillende voorstellingen hele parures bezet, bijvoorbeeld
bestaande uit collier, armbanden, broches en oorhangers.
In Zwitserland paste men een vrijwel gelijke techniek
toe voor souvenirsieraden, maar dan met typische Zwitserse
afbeeldingen van berglandschapjes en diverse klederdrachten.
Pietra-dura
Een afwijkende mozaïektechniek, het 'pietra-dura' (hard gesteente), werd de specialiteit van Florence. Hierbij werden verschillende gevormde stukjes edelsteen en parelmoer ingelegd in onyx of lapis-lazuli. Een techniek die in de zeventiende eeuw reeds werd toegepast voor de versiering van meubels, maar die vanwege het gebruikte materiaal kostbaarder is en daarom in eerste instantie minder in aanmerking kwam voor de souvenirindustrie.
Toch zijn van deze techniek eveneens
relatief veel voorbeelden bewaard gebleven en meestal
met florale motieven. Ook hierbij geldt weer dat de
door toeristen aangeschafte fragmentjes vaak in het
thuisland werden verwerkt tot draagjuweel.
In de loop van de negentiende eeuw
ontstond er een vergelijkbare industrie in het Engelse
Derbyshire, aangemoedigd door de Hertog van Devonshire,
die een afzetgebied had gevonden voor het op zijn grondgebied
voorkomende zwarte marmer. Het verschil tussen het Italiaanse
pietra-dura en de kopieën uit Derby is moeilijk
te zien, hoewel het laatste meestal iets minder verfijnd
is.
Valse parels
Met het steeds sneller, eenvoudiger en goedkoper worden van reizen en dankzij de verschillende media, die ons in een mum van tijd getuige laten zijn van gebeurtenissen op andere plaatsen van de wereld, is het souvenirsieraad langzaam aan op de achtergrond geraakt.
Maar toch kent ook onze tijd nog enkele van dergelijke reisherinneringen. Wat bijvoorbeeld te denken van de 'Majorica-parels', de glazen bolletjes overdekt met een substantie uit visschubben, die vooral na de Tweede Wereldoorlog door veel toeristen werden meegenomen van een vakantie in Spanje. En in feite heeft de gecultiveerde parel ook dikwijls een dergelijk doel gediend.
Cultivéparel
Gekweekte parels kende men weliswaar reeds in de oudheid, maar het was de Japanner Kokichi Mikimoto die de techniek in 1896 perfectioneerde, waarna vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw de cultivéparel aan zijn triomftocht over de gehele wereld begon. Vanaf dat moment en tot nu toe nemen toeristen die Japan bezoeken nog dikwijls als herinnering aan de reis en de oorspronkelijke plaats van herkomst een snoer gekweekte parels mee naar huis.
Dat dat overigens niet altijd tot een onverdeeld succes heeft geleid blijkt uit een aardige anekdote in het boekje 'Vin-je dat we een hoed opmoeten?' geschreven door mevrouw A. Pauw van Wieldrecht:
'Begin jaren dertig maakte een neef van mijn Grootmoeder, oom Ocker, een reis om de wereld. Na heel lang weggeweest te zijn maakte hij zijn opwachting bij zijn Tante en bleek toen voor zijn nichtjes wat parels meegebracht te hebben... Mijn Grootmoeder zat op de groene canapé naast de theetafel. Ze had de snoertjes in haar hand en bekeek ze aandachtig. Neef vertelde tevreden dat hij in "...Japan een man had ontmoet met een onuitsprekelijke naam, die deze parels expres door oesters liet maken. Geen wilde oester in de zee, maar beesten in een soort oestertuin, die kunstmatig parels maakten om een ingebrachte zandkorrel." Mijn Grootmoeder keek op: "Bedoel je dat ze niet echt zijn? Namaak? Vals?". Ze legde de snoeren naast zich op het tafeltje en begon over iets anders te praten. Nooit hebben de nichtjes de parels gekregen, nooit meer gezien. Spoorloos, WEGGEGOOID?'
Auteur: Klaas Martijn Akkerman
|