|
Duizend-en-één nacht in Londen
In de negentiende eeuw werd er nog
lang niet zoveel gereisd als tegenwoordig. Wel werd
het door de komst van treinen en stoomschepen gemakkelijker
om bijvoorbeeld Noord-Afrika, Turkije en het Midden
Oosten vanuit Europa te bereiken. Daar lag nog geen
overdadig aanbod aan speciaal gemaakte souvenirs voor
de toeristen klaar.
 |
 |
  |
| Portret van Frederic Leighton,
James Tissot, 1872 |
|
 |
De Europese reiziger die een bezoek
bracht aan islamitische landen, kon kiezen uit fraaie
oude kunstvoorwerpen, die ongehinderd mee naar huis
genomen konden worden. Een van de reizigers die van
deze gelegenheid volop profiteerde was Frederic Lord
Leighton (1830 - 1896), een gevierde Engelse kunstschilder.
Toen hij twee en twintig jaar oud
was bracht hij voor het eerst een bezoek aan Marokko
en was verrukt van het islamitische tegelwerk dat hij
daar zag. In de vijf en twintig jaar die volgden zou
hij regelmatig naar oosterse landen reizen en een bijzonder
fraaie verzameling islamitische tegels bijeenbrengen.
Jong
geleerd
Het reizen was Frederic Leighton al jong geleerd. Sedert
zijn grootvader in St. Petersburg een fortuin had verdiend
als lijfarts van de Russische tsarina, verkeerde zijn
familie in welstand. De jonge Leighton reisde vanwege
de gezondheid van zijn moeder regelmatig met het hele
gezin naar kuuroorden in het buitenland. Zijn vader
was eveneens arts, maar had daarnaast een brede belangstelling
voor de kunsten.
Tijdens de reizen door Europa werd de kunstzinnige aanleg van Frederic ontdekt en kreeg hij les van de beste leraren die er te vinden waren. In 1852 ging hij voor enkele jaren in Rome wonen, waar in die tijd veel Engelse kunstenaars verbleven om de Italiaanse schilderkunst te bestuderen. Hier maakte Leighton een schilderij, dat in 1855 door koningin Victoria werd gekocht en hem - pas 25 jaar oud - op slag beroemd maakte.
Liever kunst dan logées
Na nog eens een verblijf van enkele jaren te Parijs, waar hij zich verdiepte in de Franse schilderkunst, vestigde Leighton zich in 1859 te Londen. Hij werd hier al snel opgenomen in het Londense societyleven: hij was jong en knap, sprak Frans, Duits en Italiaans, had goede manieren en was een favourite van de Engelse kroonprins.
Als kunstschilder werd hij vooral
gewaardeerd om de fraaie wijze waarop hij mythologische
scènes en oosterse onderwerpen kon verbeelden.
Al deze kwaliteiten zouden ervoor zorgen dat hij door
koningin Victoria in de adelstand werd verheven en in
1878 werd gekozen voor de eervolle positie van president
van de Royal Academy te Londen.
In 1864 kon Frederic Leighton het
zich veroorloven om door een bevriende bouwmeester,
George Aitchison (1825-1910), een huis te laten bouwen
in de nieuwe Londense wijk Kensington. Dit werd volledig
naar zijn eigen smaak en behoeften ingericht: het atelier
werd het belangrijkste vertrek en het hele huis bood
plaats aan Leightons prachtige verzameling schilderijen,
keramiek en objets de vertu van over de hele wereld.
Het is opmerkelijk dat er, behalve de kamers voor bedienden,
slechts één slaapkamer in het nieuwe huis
werd gemaakt: gasten werden royaal ontvangen, maar logeren
vond Leighton kennelijk jammer van zijn tijd.
Een
hal als oosters sprookje
Toen Leighton ruim tien jaar in zijn nieuwe huis woonde,
was zijn verzameling islamitische tegels zodanig gegroeid,
dat hij besloot om speciaal hiervoor aan zijn huis een
uitbreiding te bouwen: de zogenoemde Arab Hall. De tegelverzameling
bestond vooral uit grote, rijk versierde panelen die
stamden uit de zestiende en zeventiende eeuw.
Voor het grootste deel zijn zij beschilderd
met plantaardige motieven, want het weergeven van levende
wezens was door de Islamitische wetten van het Ottomaanse
rijk verboden. Bloemen en bladeren van anjers, rozen
en tulpen zijn op de tegels meestal verwerkt tot een
symmetrische compositie. Soms zijn zij sterk gestileerd
toegepast in een vlechtwerk van slingerende ranken,
het zogenoemde arabeskenpatroon, of verwerkt in een
meetkundige figuur.
Vogels, vooral pauwen, en andere
dieren komen wel af en toe voor en Leighton bezat behoorlijk
veel panelen die uitsluitend zijn beschilderd met gekalligrafeerde
Arabische spreuken. In het kleurenpalet van de tegels
overheerst een heldere kleur blauw, maar we zien ook
turkoois, rood, geel, zwart en groen.
Oriëntaals
droombeeld
Hoewel de islamitische tegels in de nieuwe Arab Hall
optimaal tot hun recht moesten komen, verlangde Leighton
geen precieze imitatie van een bestaand oosters gebouw.
Zijn voornaamste doel was om een schitterend droombeeld
op te roepen van de Oriënt. Een belangrijke inspiratiebron
vormden mogelijk de Sprookjes uit Duizend en één
Nacht, die juist in deze tijd werden vertaald door Sir
Richard Burton (1821-1890), ontdekkingsreiziger en een
goede vriend van Leighton.
Architect Aitchison baseerde zijn
ontwerp voor de Arab Hall weliswaar op de eetzaal van
een Moors paleis in Palermo, maar schakelde ook bevriende
Engelse kunstenaars in om versieringen te ontwerpen.
Walter Crane (1845-1915), bekend boekillustrator en
ontwerper van kunstnijverheid, ontwierp de goudkleurige
mozaïekfriezen in Perzische stijl en de Londense
kunstpottenbakker William de Morgan (1839-1917) maakte
de tegels met doorzichtig pauwblauw glazuur voor het
aangrenzende trappenhuis.
Het resultaat is van een oogverblindende
schoonheid: oosters, maar ook heel typerend voor de
Victoriaanse smaak. In het midden van de Arab Hall ligt
een marmeren bad met fontein en daaromheen een vloer
met fraaie mozaïeken. De muren zijn ingedeeld door
puntige bogen en pilaren en voor het grootste deel bekleed
met de oosterse tegels, maar ook met ingebouwde banken
en een wandkast van zwart gelakt hout
Voor de ramen zijn fraaie smeedijzeren
hekken geplaatst. Het geheel wordt nog eens bekroond
door een indrukwekkende koepel, waarvan de aanzet is
opgetrokken uit afwisselend donkere en lichte steen.
Leighton maakte goede sier met deze nieuwe ruimte in
zijn huis en gaf hier ieder jaar zijn befaamde muzikale
afternoonparty.
Islamitische kunst als inspiratie
In zijn bewondering voor de keramiek uit het Nabije Oosten stond Leighton niet alleen. In kunstenaarskringen ontstond al vóór 1850 een groeiende belangstelling voor islamitische kunstvoorwerpen. Europese kunstliefhebbers en ontdekkingsreizigers maakten reizen naar oosterse landen en sommigen brachten er zelfs jaren door. Oosterse stoffen, tapijten en voorwerpen van keramiek, glas en gedreven metaal vonden hun weg naar kunsthandelaren, privé-verzamelingen en musea.
De versieringspatronen op de oosterse voorwerpen werden door kunstenaars met steeds meer belangstelling bekeken. Baanbrekend was de studie die de Engelse architect Owen Jones (1809-1874) omstreeks 1835 maakte van de Moorse architectuur en versieringskunst in het Alhambra te Granada, in het zuiden van Spanje.
Alhambra
 |
 |
  |
| Het Alhambra met op de achtergrond
de Sierra Nevada |
|
 |
Het Alhambra is het enige Moorse
paleis dat in Spanje bewaard is gebleven nadat Granada,
na 777 jaar Moorse overheersing, in 1492 als laatste
emiraat was overgedragen aan de katholieke koningen
van Spanje. Als paleis van de emirs en vestingstad tegelijk
omvatte het baden, een moskee, een fort en prachtige
tuinen.
Het is een meesterwerk van Arabische
bouwkunst en werd door keizer Karel V zo mooi gevonden
dat het als enige Moorse bouwwerk in Spanje gespaard
bleef.Het stond er omstreeks 1830 verlaten bij, toen
het door enkele kunstenaars werd herontdekt. Owen Jones
publiceerde tussen 1836 en 1845 een indrukwekkende serie
kleurenlitho's met afbeeldingen van het Alhambra. Later
verwerkte hij zijn bevindingen in het boek The Grammar
of Ornament, dat in 1856 voor het eerst verscheen en
enorm veel invloed had op bouwmeesters en sierkunstenaars.
Het islamitische ornament bood volgens Jones het allerbeste
voorbeeld voor de eigentijdse bouwkunst en sierkunst.
De publicaties van Jones werden zo bekend, dat het waarschijnlijk
is dat in ieder geval Aitchison de opvattingen van Jones
heeft gekend.
Frederic Leighton heeft nog bijna
twintig jaar kunnen genieten van zijn oosterse tegels,
nadat deze in zijn sprookjesachtige Arab Hall waren
verwerkt. Toen hij op 25 januari 1896 was gestorven
hebben zijn zusters ervoor gezorgd, dat zijn huis een
museum werd. Om financiële redenen hebben zij echter
wel het grootste deel van het interieur moeten verkopen,
zodat Leighton's kunstverzameling verspreid is geraakt.
Jaren later zijn de vertrekken weer zo goed mogelijk
in stijl ingericht, met onder andere schilderijen van
Leighton zelf en van tijdgenoten. De Arab Hall bleef
ongeschonden: Leightons souvenirs aan het rijk van de
Duizend en één Nacht zijn nog steeds te
bezichtigen in het Leighton House Museum aan 12 Holland
Park Road te London.
Auteur: Christien Smits
Gebruikte literatuur:
- Charlotte Gere, Nineteenth-Century Decoration. The
Art of the Interior, London 1989.
- Leighton House Museum, Londen z.j.
- M. Simon Thomas, De Leer van het Ornament. Versieren
volgens voorschrift, 1850-1930, Amsterdam 1996.
|