|
Welkom in het leven
Dit speldenkussen is uit de collectie van het Schielandshuis in Rotterdam. Het is een welgemeende groet, geschreven met spelden door een ijverig persoon ooit keurig in het kussen geprikt. Die spelden waren bedoeld om luiers en omslagdoeken te sluiten. Ze waren niet goedkoop en werden door de speldenmaker vervaardigd. Speldenmaken was een van de vele ambachten die in Luykens beroemde boek Het menselijk bedrijf uit 1694 vermeld staan. Maar er was nog heel wat meer werk te verzetten voor het kind welkom werd geheten.
 |
 |
 |
| |
Speldenkussen uit de collectie van het Schielandshuis in Rotterdam. |
 |
Net als nu was het gebruikelijk dat de luieruitzet zo rond de zevende maand van de zwangerschap klaar was. Maar dat zal in de vorige eeuwen heel wat meer arbeidsuren gekost hebben dan in onze tijd. Alle benodigdheden werden met de hand genaaid en soms werd ook het linnen eerst nog geweven.
Niet alleen werd alles met piepkleine steekjes genaaid, maar de meeste stukken werden ook nog geborduurd of op andere manieren versierd. Er zijn in verschillende privé-collecties in Nederland schitterende voorbeelden bewaard gebleven van uiterst fraai en fijn bewerkte kledingstukken voor het kind.
Luieruitzet
Een luieruitzet bestond uit lakentjes, kussenslopen en dekentjes voor de wieg, hemdjes, luiers, spuugdoekjes ('feytels' genaamd), navelbandjes, mutsjes met 'flepjes', handschoenen of mitaines, wikkelkleden, en zwachtels om het kind in te bakeren. Linnen luiers waren in vroeger eeuwen heel gebruikelijk en konden uit de fijnste kwaliteiten garens geweven worden.
Het is opmerkelijk dat het "oogjesgoed," het geweven patroon, niet alleen voor luiers gebruikt werd maar ook voor handdoeken en de fijnste soorten tafellinnen. Dat maakt het voor ons soms moeilijk om te zien of we een servet of een luier in handen hebben.
Linnen
Mutsjes
Pasgeboren kinderen droegen mutsjes, gemaakt van heel
fijn linnen. Meestal werden de mutsjes versierd met
kant en of borduurwerk. Een kanten strookje werd langs
de voorkant van het mutsje gezet. Onder het mutsje droeg
het kind een 'flepje'. Dit in onze ogen bijzondere stukje
linnengoed werd ook wel fontanellapje of hersenpandoekje
genoemd. Het diende om de kwetsbare, nog niet aan elkaar
gegroeide fontanellen te beschermen. Het komt soms voor
in boedelinventarissen, zoals bijvoorbeeld in een inventaris
uit 1699 waar 24 kinderflepgens staan tussen de 34 kindermutsjes,
die zowel uit noppengoed als gansoog gemaakt waren.
 |
 |
  |
| Flepje met gekantkloste
strook, collectie Sanny de Zoete |
|
 |
Zeldzame flepjes
Een flepje is een lapje fijn linnen in de vorm van een
gelijkzijdige driehoek, waar eenkleiner driehoekje met
de hand opgenaaid kan zijn. Aan twee hoeken zijn bandjes
genaaid zodat het flepje onder de kin gestrikt kan worden.
Flepjes zijn vrij zeldzaam, er zijn heel wat meer mutsjes
bewaard gebleven. Een flepje met bijpassende muts is
nog zeldzamer. In mijn collectie bevindt zich een flepje
waar een gekantkloste strook aan gezet is, waarin drie
keer een hart tussen twee pauwen geplaatst is. Soms
werden bijpassende linnen ondermouwen met een kanten
strook gemaakt. Deze werden dan met spelden aan het
jakje vastgestoken.
 |
 |
 |
| |
De kraamklopper was voor voorbijgangers een teken dat er een kind geboren was. |
 |
Kraamklopper met een boodschap
Wanneer een bevalling goed verlopen is en moeder en kind het goed maken is dat reden voor grote vreugde. Zoals wij nu een bord met ooievaar met een baby in een doek buiten plaatsen, zo had men ook in vroeger tijden een manier om de aandacht van de buitenwereld op de feestelijke gebeurtenis te vestigen.
Al in de zestiende eeuw is het de gewoonte om de deurklopper met wit linnen lappen te omwinden om zo het geluid van de klopper te dempen en te zorgen voor de rust van moeder en kind. Voor voorbijgangers was het een teken dat er een kind geboren was. Zelfs Erasmus schrijft hier al over en toont zich verbaasd als iemand niet weet wat die linnen lappen om de klopper te betekenen hebben. De klopper wordt dan ook wel een "stiltje" genoemd.
In de loop der tijden verandert de vorm en wordt er een speciaal daartoe vervaardigde kraamklopper gemaakt. Deze bestaat uit een met roze zijde omspannen houten plankje, waarover kant gespannen wordt en dat rondom ook weer afgezet is met een strook geplooide kant. Meestal gebruikt men daarvoor het kant dat de bruid van haar bruidegom kreeg bij haar trouwen en waar het boeket mee gestrikt was.
 |
 |
  |
| Deurklopper, ca. 1800, 33 x 29 cm, coll. Frans Halsmuseum, Haarlem. |
|
 |
Jongen of meisje?
Nu doet het dan nog een keer dienst. De kraamklopper wordt voor de geboorte opgemaakt. Men steekt tussen de roze zijde en het kant een stukje papier. Na de geboorte hangt men de kraamklopper op de deur. Is het een jongetje dan laat men het papiertje zitten, is het een meisje dan wordt het papier weggehaald en wordt de roze zijde weer zichtbaar. Zo weet men dan dat er een meisje geboren is.
De kraamklopper heeft ook nog een functie voor de kraamheer. Zolang als de klopper op de deur hangt mag hij niet lastig gevallen worden voor allerlei wereldse zaken, zoals het wacht lopen 's nachts of het betalen van belastingen. In deze tijd is hij zelfs vrijgesteld van rechtsvervolging.
Doopjurk volgens de laatste mode
Een pas geboren kind werd zo snel mogelijk gedoopt, vaak nog voor de moeder hersteld was en mee kon gaan naar de kerk. De ons bekende doopjurk, die in veel huishoudens nog steeds zorgvuldig bewaard wordt, stamt pas uit de negentiende eeuw. Voor die tijd werden de kinderen meestal gedoopt in hun jasjes met mutsjes en mitaines. Daaroverheen werd een wikkelkleed gedaan.
Een wikkelkleed bestaat uit een grote lap die aan de onderzijde met strikken gesloten kan worden. De bovenkant is ruimer van stof en wordt zo mooi mogelijk om het gezicht van het kind gedrapeerd. Het kleed kan gemaakt zijn van zijde en sits en is soms met de hand doorgestikt, wat natuurlijk ook lekker warm is. Er zijn verschillende fraaie exemplaren van bewaard gebleven.
 |
 |
 |
| |
Doopjurken periode 1820-1900, coll. Kostuumafdeling, Gemeentemuseum Den Haag. |
 |
De vorm van de doopjurken loopt parallel aan de heersende mode. Zo hebben de doopjurken aan het begin van de negentiende eeuw een verhoogde taille, net als de japonnen van de vrouwen in die tijd. De geborduurde motieven zijn uiterst verfijnd en zijn in het midden van het rokgedeelte, langs de zoom aan de onderkant en op het bovenlijfje geplaatst. Ook de kop van de mouw is geborduurd. De rest van de doopjurk is meestal onversierd. Dat is geheel anders in het laatste kwart van de negentiende eeuw. De doopjurken zijn van onder tot boven uitbundig voorzien van vele stroken kant, afgewisseld met geborduurde stroken.
Emotionele waarde
Het gebeurt nogal eens dat doopjurken in de loop der tijd versteld of veranderd zijn. Bijvoorbeeld omdat er delen kapot gegaan zijn. Wie nog een doopjurk bezit, kan eens kijken of alle onderdelen van de jurk wel bij elkaar horen. Soms is de versiering van het bovenlijfje anders dan die op het rokgedeelte.
De doopjurk is ongetwijfeld het meest bewaarde kledingstuk dat wij kennen, het heeft blijkbaar voor veel mensen ook een emotionele waarde. Er zijn dan ook in verschillende museale en privé collecties fraaie voorbeelden van te zien en menig linnenkast bevat een kartonnen doos waarin de doopjurk van generatie op generatie opgeborgen wordt. Wachtend tot de dag dat er weer een jonge vrouw in de familie zwanger is en opnieuw een kind welkom wordt geheten in dit leven.
Auteur: Sanny de Zoete
|