|
Kraamkamergeheimen
Knus waren de kraamkamers in de zeventiende eeuw. Wat speelde zich in die geborgenheid af? Hoe zat de baker erbij en wat kreeg het kraambezoek te drinken? Een kijkje achter het tochtscherm, in de bakermat en in het kookboek van de kraamvrouw.
 |
 |
 |
| |
Kraamkamer, Cornelis Troost, 1737, paneel, coll. Museum Boijmans van Beuningen Rotterdam (detail) |
 |
Schilderijen en Hollandse poppenhuizen gunnen ons een kijkje in de kraamkamers van de welgestelden in de 17e en 18e eeuw. Wanneer je naar deze kraamkamers kijkt lijkt het wel of er alles aan werd gedaan om moeder en kind te verwennen. Dat de moeder en haar kind met zoveel zorg werden omringd kwam vooral door het hoge percentage kinder- en moedersterfte in het kraambed. De kraamvrouw met haar kind verbleef meestal zo'n zes tot acht weken in deze gezellige tochtvrije kamer.
Kraambed
Op het schilderij van Cornelis Troost is het kraambed te zien in een alkoof met prachtige gordijnen. Haar bed werd overigens zo min mogelijk verschoond om het lekker warm te houden. De kraamvrouw eet in haar bed waarschijnlijk soep of vollemelkse pap om aan te sterken. Wanneer de kraamvrouw niet in staat was zelf te eten kon ze het drinken uit een kraamterrine waaraan een tuitje zat.
Er waren prachtige terrines van porselein of zilver, de tuit had vaak de vorm van een dieren- of mensenhoofd. Tegen haar bed staat het kamerscherm, het kamerschut genoemd dat de tocht wanneer de deur geopend werd buiten moest sluiten. Voor dit scherm geeft de baker onder toeziend oog de baby te eten. Alles is onder handbereik, zoals de rieten wieg en de luiermand.
 |
 |
  |
| Kraamkamer uit het 17e eeuws poppenhuis van Petronella Dunois, coll. Rijksmuseum Amsterdam |
|
 |
Is
schommelen gezond
In de kraamkamers van de poppenhuizen zoals in het poppenhuis
van Petronella Dunois dat in het Rijksmuseum staat,
is het hemelbed in de hoek bij de deur geplaatst. Het
behang en de gordijnen van het bed zijn van sitsenstof,
een beschilderd plafond laat in het midden een putto
zien. De kraamvrouw en kraamheer zijn klaar om bezoek
te ontvangen. De moeder is nog net zichtbaar in het
bed, de baker heeft het kind op haar schoot, terwijl
de kraamheer nota bene een pijp rookt!
De stoelen voor ontvangst staan
klaar. We zien de luiermanden en de rieten wieg zoals
deze eind zeventiende eeuw in Noord Nederland gebruikt
werden gesloten met damastgordijnen en dwarsschommelend.
Wiegen en kinderlades
Dwarsschommelende wiegen zijn veel gebruikt in Nederland. In Italië zijn hobbelpaardsgewijs schommelende wiegen bekend. Van de 14e tot de 17e eeuw was het in Nederland gebruikelijk om de wieg aan touwen aan het plafond te hangen met een lijn verbonden aan het ouderlijk bed.
Huilde het kindje, dan wiegden ze het weer in slaap. Toch werd in de achttiende eeuw de schommelwieg minder populair. Men vond dit type wieg eigenlijk ongezond. Werden de kinderen door het schommelen vreemd, vroeg men zich af, of lastig of was het slecht voor de spijsvertering?
Wiegjes werden meestal gemaakt van gevlochten riet, hout soms van ijzer. In de 18e en 19e eeuw was de wieg vaak met groen damast bekleed want dat was zacht voor de ogen. Wanneer men zich geen kraamkamer kon permitteren werd het kind in een 'kinderlade' gelegd, die in de bedstede of beddekoets paste. Voor de moeders moet dit zeer praktisch zijn geweest.
 |
 |
 |
| |
W. de Passe, Baker in de Bakermat, ill. in Joh. de Bruna, Emblemata, pag. 17, 1636, Rijksprentenkabinet Amsterdam |
 |
Het warmste plekje
Op de prent van W. de Passe ziet u de baker in de bakermat. Deze bakermat was een platte rieten mand voorzien van een hoge rug. In deze mand zaten de baker en kind wanneer het kind verschoond moest worden. De hoge rug zorgde er voor dat het kind bij het verschonen niet op de tocht lag, de mand werd voor de haard geplaatst. Na gebruik kon de bakermat aan de muur opgehangen worden. In de loop van de achttiende eeuw werd de bakermat vervangen door een laag bakerstoeltje, dat bij de vuurmand werd geplaatst.
In de kraamkamer stond nog een meubelstuk namelijk de luiermandskast of luiermandskabinet. In deze kast, die alleen was voorbehouden aan de welgestelden, werden alle benodigdheden voor de baby opgeborgen, deze was dus bestemd voor de luieruitzet. Deze kast was versierd met schitterend houtsnijwerk. De versiering bestond uit bloemranken of druiventrossen en op de afgebeelde Noord Hollandse luiermandskast uit 1650 zijn zelfs kraamvoorstellingen aangebracht, zoals wieg, luiers, kleertjes, bakermat.
 |
 |
 |
 |
Traditioneel: kandeel
5 gram pijpkaneel (1 stokje), 10 gram kruidnagelen, schil van een citroen.
Laat dit in 2 deciliter water gedurende één uur zachtjes koken. Laten afkoelen en zeven. Klop 6 eidooiers schuimig met 100 gram witte basterdsuiker en roer het gekookte kaneelmengsel erdoor met 1 fles Rijnwijn. Al roerend au bain marie het geheel binden. |
 |
 |
 |
 |
Vruchtbare
muisjes
Wat werd het kraambezoek voorgeschoteld? Natuurlijk
beschuiten met muisjes. Roze muisjes voor het meisje
en wit voor het jongetje. De anijs die in de muisjes
zat zou goed zijn voor het zog. Bovendien zou dat de
boze geesten bezweren. De naam muisjes werd bedacht
omdat ze op muizenkeutels lijken en bovendien zag men
een muis als het symbool van de vruchtbaarheid.
Maar er werd ook geklonken op de
pasgeborene. Men dronk kandeel, dat een verbastering
is van het woord 'caldellum', het betekent warm drankje.
Wanneer men deze drank dronk, droeg de kraamheer een
satijnen muts met pluim en een gebloemde kamerjas om
de boze geesten te verdrijven. Hij roerde de kandeel
met een lange stok met strikken wanneer het een jongen
was en een korte stok met strikken voor een meisje.
De kandeel werd gedronken uit een kandeelbeker of kandeelglas,
in de 18e eeuw kwamen er speciale porseleinen kandeelstellen.
Peetvaders hemd
Wanneer het kind geboren was werd er een peetvader en een peetmoeder benoemd. Een gebruik dat zelfs in de prehistorie reeds voorkwam. De peter speelde een belangrijke rol in het leven van zijn petekind. Het gebeurde wel dat wanneer het kind ziek was, het hemd van de peetvader werd aangetrokken om het kind sneller te laten genezen.
'Pillengift'
Bij de doop hield de peter zijn petekind ten doop en gaf daarna aan de ouders de 'pillengift' voor het kind. Vaak was het een muntstuk in een enveloppe vergezeld van bijbelteksten en verzegeld met een lakstempel, dit is in oude doopboeken terug te vinden. Men sloeg ook wel een geboortepenning met aan de ene kant het familiewapen en aan de andere kant de geboortedatum en plaats, soms met belletjes eraan voor het rinkelen. Wanneer de baby kleuter was geworden droeg het op hoogtijdagen deze penning aan een ketting. Indien nodig kon het te gelde worden gemaakt.
Er waren ook peetvaders, die een of meerdere zilveren lepels gaven. Uit Friesland komt het gezegde:" Hij is geboren met een zilveren lepel in de mond." (Hij was al rijk, toen hij nog in de wieg lag.) Later, vanaf de 17e eeuw, gaf men andere zilveren of gouden voorwerpen.
Mickey de Rooij
Literatuur:
- Th. H. Lunsingh Scheurleer, Enkele oude Nederlandse kraamgebruiken,
- Antiek zesde jaargang nr. 5
- Jet Pijzel-Dommisse, De 17de-eeuwse Poppenhuizen in het Rijksmuseum, 1994, ISBN 90-6611 233 6
- Maria van Lamoen, Oude Kraamgebruiken, 1981, ISBN 90-252-7198-7
- Ineke Strouken, Beschuit met muisjes, 1991, ISBN 90-215-1687-X
|